B1.26 - Passing an exam
B1.26 - Passing an exam

B1.26 - Passing an exam - Vocabulary

Een examen halen


Vocabulary (23)

De beoordeling Show

The assessment Show

De toets Show

The test/exam Show

De resultaten Show

The results Show

De herkansing Show

The resit/retake Show

De voorbereiding Show

The preparation Show

De studieplanning Show

The study plan Show

De onvoldoende Show

The fail/insufficient grade Show

Behalen (een diploma) Show

To obtain (a diploma) Show

Slagen voor Show

To pass (an exam) Show

Slagen in Show

To succeed in Show

Opzien tegen Show

To dread Show

Worstelen met Show

To struggle with Show

Zich concentreren op Show

To concentrate on Show

Focussen op Show

To focus on Show

Doorgaan met Show

To continue with Show

Volharden in Show

To persevere in Show

Beginnen aan Show

To start (on) Show

Zich storten op Show

To throw oneself into/onto Show

Zich voorbereiden op Show

To prepare for Show

In staat zijn om/tot Show

To be able to Show

Raden naar Show

To guess at Show

Delen door Show

To divide by Show

Behalen (een diploma) Show

To achieve (a diploma) Show

Hebben (to have)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou gehad hebben
(jij/je) zou gehad hebben
(hij/zij/ze/het) zou gehad hebben
(wij/we) zouden gehad hebben
(jullie) zouden gehad hebben
(zij/ze) zouden gehad hebben

Behalen (to achieve)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou behaald hebben
(jij/je) zou behaald hebben
(hij/zij/ze/het) zou behaald hebben
(wij/we) zouden behaald hebben
(jullie) zouden behaald hebben
(zij/ze) zouden behaald hebben

Focussen op (to focus)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou gefocust hebben op
(jij/je) zou gefocust hebben op
(hij/zij/ze/het) zou gefocust hebben op
(wij/we) zouden gefocust hebben op
(jullie) zouden gefocust hebben op
(zij/ze) zouden gefocust hebben op