Vocabulaire (23)

De beoordeling Montrer

L'évaluation Montrer

De toets Montrer

L'examen Montrer

De herkansing Montrer

La session de rattrapage Montrer

De resultaten Montrer

Les résultats Montrer

De voorbereiding Montrer

La préparation Montrer

De studieplanning Montrer

Le planning d'études Montrer

De onvoldoende Montrer

La note insuffisante Montrer

Opzien tegen Montrer

Redouter Montrer

Worstelen met Montrer

Lutter contre Montrer

Zich concentreren op Montrer

Se concentrer sur Montrer

Doorgaan met Montrer

Continuer à Montrer

In staat zijn om\/tot Montrer

Être capable de Montrer

Focussen op Montrer

Se focaliser sur Montrer

Raden naar Montrer

Deviner Montrer

Delen door Montrer

Diviser par Montrer

Slagen in Montrer

Réussir à Montrer

Slagen voor Montrer

Réussir (un examen) Montrer

Ontbreken aan Montrer

Manquer de Montrer

Beginnen aan Montrer

Commencer à Montrer

Zich storten op Montrer

Se précipiter sur Montrer

Volharden in Montrer

Persévérer dans Montrer

Zich voorbereiden op Montrer

Se préparer à Montrer

Behalen (een diploma) Montrer

Obtenir (un diplôme) Montrer

Hebben (avoir)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou gehad hebben
(jij/je) zou gehad hebben
(hij/zij/ze/het) zou gehad hebben
(wij/we) zouden gehad hebben
(jullie) zouden gehad hebben
(zij/ze) zouden gehad hebben

Behalen (Être)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou behaald hebben
(jij/je) zou behaald hebben
(hij/zij/ze/het) zou behaald hebben
(wij/we) zouden behaald hebben
(jullie) zouden behaald hebben
(zij/ze) zouden behaald hebben

Focussen op (se concentrer)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou gefocust hebben op
(jij/je) zou gefocust hebben op
(hij/zij/ze/het) zou gefocust hebben op
(wij/we) zouden gefocust hebben op
(jullie) zouden gefocust hebben op
(zij/ze) zouden gefocust hebben op