In Nederland betalen veel mensen contactloos, meestal met een pinpas. Steeds meer mensen gebruiken ook hun telefoon of smartwatch om te betalen. Netty, Digicoach bij ING, legt in deze video uit wat internetbankieren en mobiel bankieren is.
In den Niederlanden bezahlen viele Menschen kontaktlos, meist mit einer EC-Karte. Immer mehr Menschen nutzen auch ihr Telefon oder ihre Smartwatch zum Bezahlen. Netty, Digicoach bei ING, erklärt in diesem Video, was Internetbanking und Mobile Banking ist.

Übung 1: Sprachimmersion

Anleitung: Erkenne das angezeigte Vokabular im Video.

Wort Übersetzung
Het internetbankieren Online-Banking
Het mobiel bankieren Mobiles Banking
Het digitaal bankieren Digitales Banking
Via het internet Über das Internet
Met je tablet en telefoon Mit Tablet und Telefon
Via Mijn ING Über Mein ING
Op je laptop Auf dem Laptop
De bankzaken regelen Bankgeschäfte erledigen
Via de app Über die App
Betalen Bezahlen
Hoi, ik ben Netty en ik werk als digicoach bij ING. (Hoi, ich bin Netty und ich arbeite als Digicoach bei ING.)
In deze video leg ik iets uit over internetbankieren en mobiel bankieren. (In diesem Video erkläre ich etwas über Online-Banking und Mobile Banking.)
Veel mensen vragen wat het verschil is tussen internetbankieren en mobiel bankieren. (Viele Menschen fragen, was der Unterschied zwischen Online-Banking und Mobile Banking ist.)
Beide manieren werken via het internet. (Beide Arten funktionieren über das Internet.)
Internetbankieren doe je op de computer of laptop via Mijn ING. (Online-Banking nutzt du am Computer oder Laptop über Mein ING.)
Mobiel bankieren doe je met de app op je telefoon of tablet. (Mobile Banking nutzt du mit der App auf deinem Telefon oder Tablet.)
Op de computer heb je een groot scherm en meer functies. (Am Computer hast du einen großen Bildschirm und mehr Funktionen.)
Met de app heb je je bank altijd bij je. (Mit der App hast du deine Bank immer bei dir.)
Voor betalingen heb je vaak een goedkeuring via de app nodig. (Für Zahlungen brauchst du oft eine Bestätigung über die App.)
Meestal gebruik je internetbankieren en mobiel bankieren samen. (Meistens benutzt du Online-Banking und Mobile Banking zusammen.)

Verständnisfragen:

  1. Wat is het verschil tussen internetbankieren en mobiel bankieren?

    (Was ist der Unterschied zwischen Online-Banking und Mobile Banking?)

  2. Op welke apparaten kun je internetbankieren en op welke apparaten kun je mobiel bankieren?

    (Auf welchen Geräten kannst du Online-Banking nutzen und auf welchen Geräten Mobile Banking?)

  3. Waarom is de app vaak nodig als je een betaling doet?

    (Warum wird die App oft benötigt, wenn du eine Zahlung durchführst?)

Übung 2: Dialog

Anleitung: Lesen Sie den Dialog und beantworten Sie die Fragen.

Bij de bank: internetbankieren en mobiel bankieren

Bei der Bank: Online-Banking und Mobile-Banking
1. Jan: Goedemorgen, ik wil graag weten hoe internetbankieren werkt. (Guten Morgen, ich möchte gern wissen, wie Online-Banking funktioniert.)
2. Medewerker Sophie: Goedemorgen, dat doet u via Mijn ING op een laptop of computer. (Guten Morgen. Das erledigen Sie über Mein ING auf einem Laptop oder Computer.)
3. Jan: Kan ik daar meer dingen tegelijk doen dan in de app? (Kann ich dort mehr gleichzeitig machen als in der App?)
4. Medewerker Sophie: Ja, u kunt sparen, rekeningen openen en betalingen bekijken. (Ja, Sie können sparen, Konten eröffnen und Zahlungen einsehen.)
5. Jan: En wat is dan precies het verschil met mobiel bankieren? (Und was genau ist der Unterschied zum Mobile-Banking?)
6. Medewerker Sophie: Mobiel bankieren doet u op uw telefoon of tablet via de ING-app. (Mobile-Banking nutzen Sie auf Ihrem Telefon oder Tablet über die ING‑App.)
7. Jan: Kan ik dan met mijn telefoon in de winkel betalen met de app? (Kann ich dann mit meinem Telefon im Laden mit der App bezahlen?)
8. Medewerker Sophie: Ja, dat kan. Zo kunt u snel betalen en uw bankrekening meteen controleren. (Ja, das geht. So können Sie schnell bezahlen und Ihr Konto sofort prüfen.)
9. Jan: Heb ik internetbankieren en mobiel bankieren dan allebei nodig? (Brauche ich dann sowohl Online-Banking als auch Mobile-Banking?)
10. Medewerker Sophie: Ja, ze werken samen. U bevestigt betalingen van Mijn ING altijd in de app. (Ja, sie funktionieren zusammen. Zahlungen aus Mein ING bestätigen Sie immer in der App.)
11. Jan: En als ik een nieuwe creditcard nodig heb, waar moet ik dat doen? (Und wenn ich eine neue Kreditkarte brauche, wo muss ich das beantragen?)
12. Medewerker Sophie: Die kunt u toevoegen via Mijn ING, maar u moet de aanvraag goedkeuren in de app. (Die können Sie über Mein ING hinzufügen, aber den Antrag müssen Sie in der App freigeben.)
13. Jan: Oh, hartelijk bedankt, u heeft me erg goed geholpen. (Oh, vielen Dank, Sie haben mir sehr geholfen.)

1. Waar gebruikt Jan internetbankieren?

(Worüber nutzt Jan Online-Banking?)

2. Wat kan Jan volgens Sophie doen in Mijn ING?

(Was kann Jan laut Sophie in Mein ING tun?)

Übung 3: Offene Gesprächsfragen

Anleitung: Beantworte die Fragen und korrigiere sie mit deinem Lehrer.

  1. U bent net in Nederland aangekomen en u heeft nog geen rekening. Bij welke bank wilt u een rekening openen en waarom?
    Sie sind gerade in den Niederlanden angekommen und haben noch kein Konto. Bei welcher Bank würden Sie ein Konto eröffnen und warum?

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. U wilt iets online kopen, bijvoorbeeld een treinabonnement of een laptop. Hoe betaalt u dat? Vertel stap voor stap wat u doet.
    Sie möchten etwas online kaufen, zum Beispiel ein Zugabo oder einen Laptop. Wie bezahlen Sie das? Erzählen Sie Schritt für Schritt, was Sie tun.

    __________________________________________________________________________________________________________

  3. U zit in een café met collega’s en de pinautomaat werkt niet. Hoe betaalt u dan, en wat zegt u tegen de medewerker?
    Sie sitzen mit Kolleg:innen in einem Café und das Kartenterminal funktioniert nicht. Wie bezahlen Sie dann, und was sagen Sie zur Bedienungskraft?

    __________________________________________________________________________________________________________

  4. U verliest uw bankpas in de stad. Wat doet u diezelfde dag? Noem twee dingen die u meteen regelt bij de bank.
    Sie verlieren Ihre Bankkarte in der Stadt. Was unternehmen Sie noch am selben Tag? Nennen Sie zwei Dinge, die Sie sofort bei der Bank regeln.

    __________________________________________________________________________________________________________