Leer het passé composé met de hulpwerkwoorden avoir en être en Frans; begrijp het gebruik van participes passés zoals gagné en allé, en leer hun juiste vervoeging en overeenstemming.
  1. Met het hulpwerkwoord avoir stemt het voltooid deelwoord niet af op het onderwerp.
  2. Met het hulpwerkwoord "être" wordt het voltooid deelwoord aangepast aan het onderwerp.
Avoir + Participe passé (Hebben + voltooide deelwoord)Être + participe passé (Être + voltooid deelwoord)
J'ai + gagné (Ik heb + gewonnen)Je suis + allé (Ik ben + gegaan)
Tu as + joué (Tu hebt + gespeeld)Tu es + venu (Tu bent + gekomen)
Il a + couru (Hij heeft + gelopen)Elle est + partie (Zij is + vertrokken)
Nous avons + mangé (Wij hebben + gegeten)Nous sommes + sortis (Wij zijn + uitgegaan)
Vous avez + dit (U hebt + gezegd)Vous êtes + entrés (U bent + binnengekomen)
Elles ont + pensé (Zij hebben + gedacht)Elles sont + arrivées (Zij zijn + aangekomen)

Oefening 1: Le passé composé avec "avoir" et "être"

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

as gagné, as joué, a joué, a couru, avons gagné, avez couru, sont venus, suis allé

1. Jouer :
Ma famille ... au rugby dimanche.
(Mijn familie heeft zondag rugby gespeeld.)
2. Courir :
Vous ... sur le terrain.
(Je hebt op het veld gerend.)
3. Jouer :
Tu ... au tennis pendant dix ans.
(Je hebt tien jaar tennis gespeeld.)
4. Gagner :
Nous ... la compétition la plus importante.
(We hebben de belangrijkste wedstrijd gewonnen.)
5. Courir :
Elle ... aussi vite que sa copine.
(Ze heeft net zo snel gerend als haar vriendin.)
6. Aller:
Je ... courir avec mes amis.
(Ik ben gaan hardlopen met mijn vrienden.)
7. Gagner :
Tu ... tous tes matchs cette année.
(Je hebt al je wedstrijden dit jaar gewonnen.)
8. Venir:
Tous tes amis ... jouer au foot avec toi.
(Al je vrienden zijn komen voetballen met jou.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Tu ___ joué au football hier au stade.

(Je ___ speelde gisteren voetbal in het stadion.)

2. Nous ___ allés à la piscine pour faire de la natation.

(We ___ zijn naar het zwembad gegaan om te zwemmen.)

3. Elle ___ gagné un match de tennis la semaine dernière.

(Zij ___ heeft vorige week een tenniswedstrijd gewonnen.)

4. Vous ___ couru rapidement jusqu'au terrain de rugby.

(Jullie ___ hebben snel gerend naar het rugbyveld.)

5. Ils ___ venus au stade pour regarder un match de basketball.

(Zij ___ zijn naar het stadion gekomen om naar een basketbalwedstrijd te kijken.)

6. Tu ___ joué au cyclisme ce week-end et tu as gagné.

(Je ___ hebt dit weekend aan wielrennen gedaan en je hebt gewonnen.)

Le passé composé met "avoir" en "être"

In deze les leer je hoe je de passé composé vormt met de hulpwerkwoorden avoir en être. De passé composé is een veelgebruikte tijd in het Frans om acties uit het verleden te beschrijven die afgerond zijn.

Gebruik van avoir en être

De passé composé wordt gevormd met een hulpwerkwoord (avoir of être) gevolgd door het voltooid deelwoord van het werkwoord.

  • Avoir + participe passé: Dit is de meest gebruikte vorm. Het voltooid deelwoord verandert niet mee met het onderwerp.
  • Être + participe passé: Gebruik je voornamelijk met werkwoorden van beweging of verandering van toestand. Het voltooid deelwoord past zich aan in geslacht en getal aan bij het onderwerp.

Voorbeelden van vormen

Avoir + Participe passéÊtre + participe passé
J'ai + gagnéJe suis + allé
Tu as + jouéTu es + venu
Il a + couruElle est + partie
Nous avons + mangéNous sommes + sortis
Vous avez + ditVous êtes + entrés
Elles ont + penséElles sont + arrivées

Wanneer gebruik je welk hulpwerkwoord?

Over het algemeen gebruik je avoir met de meeste werkwoorden. Werkwoorden die beweging aangeven, zoals aller (gaan), venir (komen), en partir (vertrekken), gebruik je met être. Het is belangrijk om te leren welke werkwoorden een vervoeging met être vereisen, omdat dit invloed heeft op de aanpassing van het voltooid deelwoord.

Belangrijke aandachtspunten

  • Met avoir verandert het voltooid deelwoord niet, bijvoorbeeld: Elle a mangé (Zij heeft gegeten).
  • Met être moet het voltooid deelwoord in geslacht en getal overeenkomen met het onderwerp, bijvoorbeeld: Ils sont venus (Zij zijn gekomen, mannelijk meervoud) en Elles sont parties (Zij zijn vertrokken, vrouwelijk meervoud).
  • De passé composé wordt gebruikt voor acties die in het verleden zijn afgerond.

Verschillen tussen het Frans en Nederlands

In het Nederlands wordt het voltooid deelwoord bijna altijd met het hulpwerkwoord hebben gevormd, bijvoorbeeld ik heb gespeeld. Het gebruik van zijn als hulpwerkwoord komt vooral voor bij werkwoorden die beweging of verandering uitdrukken, vergelijkbaar met être in het Frans, zoals bij ik ben gegaan.

Let op dat in het Frans de overeenkomst van het voltooid deelwoord bij gebruik van être verplicht is, terwijl het in het Nederlands minder strikt is. Bijvoorbeeld, in het Frans zeg je elles sont arrivées met een -e om het vrouwelijk meervoud aan te geven.

Nuttige woorden en uitdrukkingen

  • participe passé: voltooid deelwoord
  • auxiliaire: hulpwerkwoord
  • aller: gaan
  • venir: komen
  • jouer: spelen
  • gagné: gewonnen
  • mangé: gegeten
  • sortir: uitgaan/naar buiten gaan

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Azéline Perrin

bacheloropleiding in toegepaste vreemde talen

Université de Lorraine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 17/07/2025 12:35