De passé composé met être

Le passé composé avec "être"


Le passé composé est utilisé pour parler d'actions passées qui sont terminées.

(De passé composé wordt gebruikt om over acties in het verleden te spreken die afgerond zijn.)

Passé composé met être: wanneer gebruik je het?

In het passé composé gebruik je soms être (niet avoir).

  • Bewegingswerkwoorden (verplaatsing): aller, venir, arriver, partir, entrer, sortir, rentrer…
  • Wederkerende werkwoorden (pronominaal): se réveiller, se lever, se coucher…

Structuur: onderwerp + être (nu) + participe passé

  • Je suis allé(e)
  • Nous sommes rentré(e)s
  • Elle est arrivée

De 2 stappen: kies être + maak het voltooid deelwoord passend

  1. Stap 1 — vervoeg être in de tegenwoordige tijd

    • je suis, tu es, il/elle/on est, nous sommes, vous êtes, ils/elles sont
  2. Stap 2 — accord: laat het participe passé overeenkomen met het onderwerp

    Met être krijgt het voltooid deelwoord vaak een extra einde:

    Onderwerp Extra einde Voorbeeld met arrivé
    mannelijk enkelvoud (geen) Il est arrivé.
    vrouwelijk enkelvoud + e Elle est arrivée.
    mannelijk meervoud + s Ils sont arrivés.
    vrouwelijk meervoud + es Elles sont arrivées.

Snelle check: hoor je het? Vaak niet.

Belangrijk voor Nederlands-sprekers: je ziet de extra letters vaak, maar je hoort ze meestal niet.

  • Elle est arrivée (klinkt bijna hetzelfde als arrivé)
  • Ils sont rentrés (de s hoor je niet)

Tip: let extra op in schrijven en bij meerkeuze.

Wederkerende werkwoorden: het zinnetje “je me…” blijft staan

Bij pronominale werkwoorden gebruik je ook être.

Structuur: onderwerp + wederkerend voornaamwoord + être + participe passé

  • Je me suis réveillé(e).
  • Tu t’es levé(e).
  • Nous nous sommes couchés / couchées.

Veelgemaakte fout:

  • Je suis réveillé. (mist me)
  • Je me suis réveillée (kan wél, maar alleen als de spreker vrouw is)

“On”: enkelvoud in vorm, soms meervoud in betekenis

On gebruikt altijd est (enkelvoud), maar het akkoord kan variëren.

  • On est rentré tard. (neutraal/standaard)
  • On est rentrés tard. (als on = “wij”, vaak in spreektaal; beide correct)

Mini-checklist (zelfcontrole in 10 seconden)

  1. Is het een bewegingswerkwoord of pronominaal werkwoord? → dan meestal être.

  2. Heb ik être juist vervoegd? (suis/es/est/sommes/êtes/sont)

  3. Past het participe passé bij het onderwerp? e, s, es?

  4. Bij pronominaal: staat me/te/se/nous/vous er nog?

Veelvoorkomende valkuil: être vs avoir (snelle focus)

In deze les gaat het om de groep met être. Daarom zie je vormen zoals:

  • Je suis allé(e) (niet: j’ai allé)
  • Elle est venue (niet: elle a venu)

Als je twijfelt: vraag jezelf af of het over verplaatsing of een zichzelf-handeling gaat. Dan zit je vaak goed met être.

  1. In de passé composé gebruiken we het hulpwerkwoord "être" voor bewegingswerkwoorden (bv. venir → "je suis venu/e") en wederkerige werkwoorden (bv. se réveiller → "je me suis reveillé/e").
  2. Met het hulpwerkwoord "être" komt het voltooid deelwoord in جنس en getal overeen met het onderwerp. (we voegen "e" toe in het vrouwelijk, "s" in het mannelijk meervoud en "es" in het vrouwelijk meervoud).
Être (Zijn)Exemples : Être + participe passé au masculin (Voorbeelden: zijn + voltooid deelwoord in het mannelijk)Exemples : Être + participe passé au féminin (Voorbeelden: zijn + voltooid deelwoord in het vrouwelijk)
Je suis (Ik ben)Je suis allé au judo. (Ik ben naar judo gegaan.) Je suis allée au judo. (Ik ben naar judo gegaan.)
Tu es (Jij bent)Tu es venu chez moi.  (Jij bent bij mij thuis gekomen.)Tu es venue chez moi. (Jij bent bij mij thuis gekomen.)
Il/Elle/On est (Hij/Zij/Men is)Son frère est rentré du match. (Zijn broer is van de wedstrijd teruggekomen.)Sa sœur est rentrée du match. (Zijn zus is van de wedstrijd teruggekomen.)
Nous sommes (Wij zijn)Nous sommes sortis dans le jardin. (Wij zijn de tuin in gegaan.)Nous sommes sorties dans le jardin. (Wij zijn de tuin in gegaan.)
Vous êtes (U/Jullie zijn)Vous êtes arrivés au restaurant. (U/Jullie zijn in het restaurant aangekomen.)Vous êtes arrivées au restaurant. (U/Jullie zijn in het restaurant aangekomen.)
Ils/Elles sont (Zij zijn)Les joueurs sont entrés dans le stade. (De spelers zijn het stadion binnengegaan.)Les joueuses sont entrées dans le stade. (De speelsters zijn het stadion binnengegaan.)

Uitzonderingen!

  1. Met het voornaamwoord "on" kan het voltooid deelwoord al dan niet in het meervoud staan: beide vormen zijn correct (bv. "On est rentré tard" ou "On est rentrés tard").

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Je ____ au stade après le travail.

Je ____ au stade après le travail.

2. Marie ____ au match de football samedi.

Marie ____ au match de football samedi.

3. Nous ____ après le match.

Nous ____ après le match.

4. Elles ____ au club de judo à 18 h.

Elles ____ au club de judo à 18 h.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen in de passé composé met het hulpwerkwoord "être" en pas het voltooid deelwoord aan op het onderwerp (bv.: Elle arrive → Elle est arrivée).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Je (aller) au judo après le travail.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je suis allé au judo après le travail.
    (Je suis allé au judo après le travail.)
  2. Marie (venir) au bureau ce matin.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Marie est venue au bureau ce matin.
    (Marie est venue au bureau ce matin.)
  3. Nous (rentrer) tard à la maison.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Nous sommes rentrés tard à la maison.
    (Nous sommes rentrés tard à la maison.)
  4. Sophie et Claire (arriver) à la gare à 8 h.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Sophie et Claire sont arrivées à la gare à 8 h.
    (Sophie et Claire sont arrivées à la gare à 8 h.)
  5. Tu (te réveiller) à 6 h ce matin.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Tu t’es réveillé à 6 h ce matin.
    (Tu t’es réveillé à 6 h ce matin.)
  6. On (sortir) après le déjeuner.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    On est sorti après le déjeuner.
    (On est sorti après le déjeuner.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Vertel in tweetallen over jullie verplaatsingen en sportactiviteiten van gisteravond.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Après le match au stade, vous racontez votre soirée à un collègue.
(Na de wedstrijd in het stadion vertel je je avond aan een collega.)

Bespreek
  • Où es-tu allé(e) après le match et avec qui ? (Waar ben je na de wedstrijd naartoe gegaan en met wie?)
  • À quelle heure êtes-vous arrivé(e)(s) au stade ou au restaurant ? Pourquoi ? (Hoe laat zijn jullie op het stadion of in het restaurant aangekomen? Waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Je suis allé(e) au stade pour le football. (Je suis allé(e) au stade pour le football.)
  • On est sorti(e)(s) après le match. (On est sorti(e)(s) après le match.)
  • Nous sommes rentré(e)s tard : on a gagné / on a perdu. (Nous sommes rentré(e)s tard : on a gagné / on a perdu.)

Gebruik in gesprek
  • Je suis allé(e) / Je suis venu(e) + lieu (Je suis allé(e) / Je suis venu(e) + lieu)
  • Nous sommes sorti(e)s / Nous sommes rentré(e)s + moment (Nous sommes sorti(e)s / Nous sommes rentré(e)s + moment)
  • On est arrivé / On est arrivé(s) + lieu (On est arrivé / On est arrivé(s) + lieu)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Azéline Perrin

bacheloropleiding in toegepaste vreemde talen

Université de Lorraine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

dinsdag, 14/04/2026 14:49