Vocabulario (20)

Het voorgerecht Mostrar

El entrante Mostrar

Het hoofdgerecht Mostrar

El plato principal Mostrar

Het nagerecht Mostrar

El postre Mostrar

Het gerecht Mostrar

El plato Mostrar

Proost Mostrar

¡Salud! Mostrar

Heerlijk Mostrar

Delicioso Mostrar

Dronken zijn Mostrar

Estar borracho Mostrar

Openen Mostrar

Abrir Mostrar

Serveren Mostrar

Servir Mostrar

Smaken naar Mostrar

Saber a Mostrar

Genieten van Mostrar

Disfrutar de Mostrar

Proosten Mostrar

Brindar Mostrar

Dienen met Mostrar

Servir con Mostrar

Volstaan met Mostrar

Bastar con Mostrar

Te spreken zijn over Mostrar

Hablar sobre Mostrar

Ruiken naar Mostrar

Oler a Mostrar

Zich vergenoegen met Mostrar

Conformarse con Mostrar

Wijn combineren met Mostrar

Combinar vino con Mostrar

De tafel dekken Mostrar

Poner la mesa Mostrar

Aandacht besteden aan Mostrar

Prestar atención a Mostrar

Proosten (probar (to))

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


(ik) heb geproost
(jij/je) hebt geproost
(hij/zij/ze/het) heeft geproost
(wij/we) hebben geproost
(jullie) hebben geproost
(zij/ze) hebben geproost

Wijn combineren met (combinar vino)

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


(ik) heb wijn gecombineerd met
(jij/je) hebt wijn gecombineerd met
(hij/zij/ze/het) heeft wijn gecombineerd met
(wij/we) hebben wijn gecombineerd met
(jullie) hebben wijn gecombineerd met
(zij/ze) hebben wijn gecombineerd met