Vocabulario (21)
Lijden aan (sufrir)
Voltooid verleden tijd (VVT)
| (ik) heb geleden aan |
| (jij/je) hebt geleden aan |
| (hij/zij/ze/het) heeft geleden aan |
| (wij/we) hebben geleden aan |
| (jullie) hebben geleden aan |
| (zij/ze) hebben geleden aan |
Zich laten vaccineren (vacunarse)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb me laten vaccineren |
| (jij/je) hebt je laten vaccineren |
| (hij/zij/ze/het) heeft zich laten vaccineren |
| (wij/we) hebben ons laten vaccineren |
| (jullie) hebben je laten vaccineren |
| (zij/ze) hebben zich laten vaccineren |