Bezittelijke voornaamwoorden: mijn, dein, sein, ...

Possesivpronomen: mein, dein, sein, ...


Possessivpronomen zeigen Besitz und passen sich an den Fall des Nomens an.

(Bezittelijke voornaamwoorden geven bezit aan en passen zich aan de naamval van het zelfstandig naamwoord aan.)

Wat doe je hier precies?

Je wilt zeggen dat iets van iemand is: mijn / jouw / zijn / haar / ons / jullie.

In het Duits gebruik je dan een bezittelijk voornaamwoord vóór een zelfstandig naamwoord:

  • Das ist mein Laptop.
  • Das ist deine Tasche.

Stap 1: Kies de juiste “basis” (wie is de eigenaar?)

Eigenaar Bezittelijk woord Voorbeeld
ikmein-mein …
jijdein-dein …
hij / hetsein-sein …
zij (enkelv.)ihr-ihr …
wijunser-unser …
jullieeuer-euer …
zij (meerv.) / Sieihr-ihr …

Let op: ihr- betekent zowel haar (zij) als hun/uw (zij/Sie). De context maakt het duidelijk.

Stap 2: Kies de juiste uitgang (wat is het geslacht/getal van het zelfstandig naamwoord?)

De uitgang hangt niet af van de eigenaar, maar van het woord erna (het ding/personen/zaak).

Het zelfstandig naamwoord is… Uitgang in de nominatief Voorbeelden
mannelijk (der) of onzijdig (das) (geen extra -e) mein Schlüssel (der), dein Handy (das)
vrouwelijk (die) -e meine Tasche (die), ihre Adresse (die)
meervoud (die …) -e unsere Unterlagen, eure Kinder

Mini-check: hoe weet je of het der/die/das is?

  • Zoek het woord op met lidwoord: der/die/das.
  • Of herken typische uitgangen (handig op A2):
    • -ung, -heit, -keit, -schaft, -tion → meestal die…e
    • -chen, -lein → altijd dasgeen -e
    • Meervoud is bijna altijd die…e

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze voorkomt)

  • Fout 1: je kijkt naar de eigenaar in plaats van naar het zelfstandig naamwoord.

    Das ist mein Tasche.Das ist meine Tasche. (Tasche = die)

  • Fout 2: “Training” verkeerd inschatten.

    Seine Training beginnt um sechs.Sein Training beginnt um sechs. (Training = das)

  • Fout 3: euer + -e schrijven als euere.

    Correct: euer + e → eure

Snelle zelftest (2 vragen)

  1. Wat kies je eerst: mein/dein/sein… of —/-e?

    Antwoord: eerst de eigenaar (basis), dan de uitgang (geslacht/meervoud van het zelfstandig naamwoord).

  2. Waar kijk je naar voor mein vs meine?

    Antwoord: naar der/die/das of meervoud van het woord erna.

  1. We gebruiken mein, dein, sein, ihr, unser, euer wanneer het bezittelijk voornaamwoord bij een mannelijk of onzijdig zelfstandig naamwoord hoort.
  2. We gebruiken meine, deine, seine, ihre, unsere, eure wanneer het bezittelijk voornaamwoord bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord of bij het meervoud hoort.
Nominativ (nominatief)Maskulin/ Neutrum (mannelijk/ onzijdig)Feminin (vrouwelijk)Plural (meervoud)
ichmeinmeinemeine
dudeindeinedeine
erseinseineseine
esseinseineseine
sieihrihreihre
wirunserunsereunsere
ihreuereureeure
sie/ Sieihrihreihre

 

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Ist das ___ Workout-Plan oder der von deinem Freund?

Is dat ___ workoutplan of dat van je vriend?

2. Ich möchte gern ___ Probetrainings für nächste Woche buchen.

Ik wil graag ___ proeftrainingen voor volgende week boeken.

3. Er macht jeden Morgen ___ Krafttraining, auch wenn er wenig Zeit hat.

Hij doet elke ochtend ___ krachttraining, ook als hij weinig tijd heeft.

4. Sie findet ___ Ausdauer wichtig und geht zweimal pro Woche joggen.

Ze vindt ___ conditie belangrijk en gaat twee keer per week joggen.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het passende bezittelijk voornaamwoord in de nominatief (mijn/jouw/zijn/haar/onze/jullie + juiste uitgang). Voorbeeld: „Das ist der Laptop von mir.“ → „Das ist mein Laptop.“

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Das ist der Schlüssel von mir.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Das ist mein Schlüssel.
    (Dat is mijn sleutel.)
  2. Das ist die Tasche von dir.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Das ist deine Tasche.
    (Dat is jouw tas.)
  3. Das ist das Handy von ihm.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Das ist sein Handy.
    (Dat is zijn mobiele telefoon.)
  4. Das sind die Unterlagen von uns.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Das sind unsere Unterlagen.
    (Dat zijn onze documenten.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Louis Fernando Hess

Bachelor of Science - Interculturele Business Psychologie

Hamm-Lippstadt University of Applied Sciences

University_Logo

Duitsland


Laatst bijgewerkt:

donderdag, 30/04/2026 17:02