Possessivpronomen zeigen Besitz und passen sich an den Fall des Nomens an.
(Bezittelijke voornaamwoorden geven bezit aan en passen zich aan de naamval van het zelfstandig naamwoord aan.)
- We gebruiken mein, dein, sein, ihr, unser, euer als het bezittelijk voornaamwoord bij een mannelijk of onzijdig zelfstandig naamwoord hoort.
- We gebruiken meine, deine, seine, ihre, unsere, eure als het bezittelijk voornaamwoord bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord of bij het meervoud hoort.
| Nominativ (nominatief) | Maskulin/ Neutrum (mannelijk/ onzijdig) | Feminin (vrouwelijk) | Plural (meervoud) |
|---|---|---|---|
| ich | mein | meine | meine |
| du | dein | deine | deine |
| er | sein | seine | seine |
| es | sein | seine | seine |
| sie | ihr | ihre | ihre |
| wir | unser | unsere | unsere |
| ihr | euer | eure | eure |
| sie/ Sie | ihr | ihre | ihre |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Ist das ___ Trainingsplan oder der von deinem Freund?
Is dat ___ trainingsschema of dat van je vriend?2. Ich mache heute ___ Ausdauerübungen im Park und gehe danach nach Hause.
Ik doe vandaag ___ duurtraining in het park en ga daarna naar huis.3. Wo ist ___ Yogamatte? Sie hat sie vorhin hier hingelegt.
Waar is ___ yogamat? Ze heeft hem net hier neergelegd.4. Wir suchen ___ Angebot für den Sportplatz für die Mannschaft, aber wir finden es nicht auf der Website.
We zoeken ___ aanbod voor het sportveld voor het team, maar we kunnen het niet op de website vinden.Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de grammaticaal juiste zin met het passende bezittelijk voornaamwoord.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen met het juiste bezittelijk voornaamwoord in de nominatief (mijn/jouw/zijn/haar/onze/jullie) en de juiste uitgang (- / -e). Voorbeeld: Dat is (ik) auto. → Dat is mijn auto.
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDas ist mein Handy.(Dat is mijn telefoon.)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldWo ist deine Tasche?(Waar is jouw tas?)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldSein Bruder ist Arzt.(Zijn broer is arts.)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIhre Firma ist in Berlin.(Haar bedrijf is in Berlijn.)
Oefening 4: Grammatica in actie
Instructie: Praat over jullie doelen en vergelijk jullie gezonde levensstijl.
- Welche Bewegung passt zu deinem Alltag und warum? (Welke vorm van beweging past bij jouw dagelijks leven en waarom?)
- Was ist dein Ziel: Ausdauer oder Krafttraining mit Gewichten? Vergleicht kurz mit Yoga oder Mannschaftssport, bitte begründen Sie kurz warum (ein Satz).""" <-- NOTE: This line contains an unnatural insertion that violates the JSON schema and should be corrected to follow original instructions. Please remove the extraneous text and ensure the prompt remains A2-appropriate.""" (Wat is jouw doel: uithoudingsvermogen of krachttraining met gewichten? Vergelijk het kort met yoga of een teamsport en leg kort uit waarom (één zin).)
- mein Workout ist kurz, aber intensiv. (Mijn workout is kort, maar intensief.)
- deine Ausdauer ist gut, mein Krafttraining hilft mir. (Jouw uithoudingsvermogen is goed; mijn krachttraining helpt mij.)
- unser Training am Sportplatz passt zu unserem gesunden Lebensstil. (Onze training op het sportveld past bij onze gezonde levensstijl.)
- mein/dein + Nomen (Nominativ) (mijn/jouw + zelfstandig naamwoord (nominatief))
- sein/ihr + Nomen (Nominativ) (zijn/haar + zelfstandig naamwoord (nominatief))
- unser/euer + Nomen (Nominativ) (ons/jullie + zelfstandig naamwoord (nominatief))