Possessivpronomen zeigen Besitz und passen sich an den Fall des Nomens an.

(Bezittelijke voornaamwoorden geven bezit aan en passen zich aan de naamval van het zelfstandig naamwoord aan.)

  1. Bezittelijke voornaamwoorden richten zich naar de persoon van de bezitter.
Nominativ (Nominatief)Maskulin (Mannelijk)Neutrum (Onzijdig)Feminin (Vrouwelijk)Plural (Meervoud)
ichmeinmeinmeinemeine
dudeindeindeinedeine
erseinseinseineseine
esseinseinseineseine
sieIhrihrihreihre
wirunserunserunsereunsere
Ihreuereuereureeure
sieihrihrihreihre
Sieihrihrihreihre

 

Oefening 1: Bezittelijke voornaamwoorden: mein, dein, sein, ...

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

dein, meinem, eure, ihr, unser, euer, mein

1.
Wir haben ... Training auf dem Sportplatz geplant.
(We hebben onze training op het sportveld gepland.)
2.
Ihr genießt ... Entspannung nach dem Yoga.
(Jullie genieten van jullie ontspanning na de yoga.)
3.
Du hast ... Workout wirklich intensiv gestaltet.
(Je hebt je training echt intensief gemaakt.)
4.
Macht ihr ... Yoga oder ein kurzes Workout zusammen?
(Doen jullie samen yoga of een korte workout?)
5.
Sie haben ... Training gestern wegen des Regens verschoben.
(Ze hebben hun training gisteren uitgesteld vanwege de regen.)
6.
Wir haben ... Training auf dem Sportplatz geplant.
(We hebben onze training op het sportveld gepland.)
7.
Ich trainiere oft auf ... Sportplatz in der Nähe.
(Ik train vaak op mijn sportveld in de buurt.)
8.
Ich habe ... Krafttraining heute Morgen gemacht.
(Ik heb vanmorgen mijn krachttraining gedaan.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies het correct gebruikte bezittelijk voornaamwoord in de gegeven zin. Let erop dat het bezittelijk voornaamwoord goed is afgestemd op de persoon van de bezitter, evenals op de naamval en het geslacht van het zelfstandig naamwoord.

1.
"haar" is hier fout, omdat de spreker over zichzelf spreekt en daarom "mijn" hoort te gebruiken.
"mijn" is fout, omdat "oefeningen" meervoud is en het bezittelijk voornaamwoord daarom "mijn" moet zijn in het meervoud.
2.
"jouw fiets" is niet fout, maar in een informele context is "je fiets" ook correct. (Oorspronkelijk was "deine Fahrrad" fout omdat "Fahrrad" onzijdig is en "deine" vrouwelijk of meervoud suggereert.)
"zijn" is hier verkeerd gebruikt; het juiste bezittelijk voornaamwoord is "je", want de zin richt zich tot "jij".
3.
"onze trainer" is enkelvoud en past niet bij het werkwoord "raden" in de meervoudsvorm.
"jullie" is fout omdat het bezit bij "wij" ligt en daarom "onze" moet zijn.
4.
"haar sportschoen" is fout, omdat "sportschoenen" meervoud is en het passende bezittelijk voornaamwoord "haar" moet zijn.
"zijn" past niet, omdat de bezitter "zij" (3e persoon enkelvoud vrouwelijk) is, niet "hij".

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met de juiste bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw, zijn, haar, ons, jullie, hun, Uw), zodat ze bij het onderwerp passen. Voorbeeld: Ik heb een zus. Dat is mijn zus.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (mein) Ich habe einen Vertrag. Das ist der Vertrag.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich habe einen Vertrag. Das ist mein Vertrag.
    (Ich habe einen Vertrag. Das ist mein Vertrag.)
  2. Hint Hint (deine) Du hast eine neue Wohnung. Das ist die Wohnung.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Du hast eine neue Wohnung. Das ist deine Wohnung.
    (Du hast eine neue Wohnung. Das ist deine Wohnung.)
  3. Hint Hint (sein) Herr Müller hat ein Fitnessstudio. Das ist das Fitnessstudio.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Herr Müller hat ein Fitnessstudio. Das ist sein Fitnessstudio.
    (Herr Müller hat ein Fitnessstudio. Das ist sein Fitnessstudio.)
  4. Hint Hint (unsere) Wir haben heute zwei Online-Meetings. Das sind die Meetings.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wir haben heute zwei Online-Meetings. Das sind unsere Meetings.
    (Wir haben heute zwei Online-Meetings. Das sind unsere Meetings.)
  5. Hint Hint (euer) Ihr habt einen Trainer im Fitnessstudio. Das ist der Trainer.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ihr habt einen Trainer im Fitnessstudio. Das ist euer Trainer.
    (Ihr habt einen Trainer im Fitnessstudio. Das is euer Trainer.)
  6. Hint Hint (ihre) Frau Becker und Herr Roth haben Kinder. Das sind die Kinder.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Frau Becker und Herr Roth haben Kinder. Das sind ihre Kinder.
    (Frau Becker und Herr Roth haben Kinder. Das sind ihre Kinder.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Louis Fernando Hess

Bachelor of Science - Interculturele Business Psychologie

Hamm-Lippstadt University of Applied Sciences

University_Logo

Duitsland


Laatst bijgewerkt:

woensdag, 07/01/2026 00:12