Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel de items die een verwante betekenis hebben.

Der Notruf — Die Nummer 112 anrufen (De noodoproep — Het nummer 112 bellen)
Der Notfall — eine akute Situation (Het noodgeval — een acute situatie)
Die Notaufnahme — die Klinik für Notfälle (De spoedeisende hulp — de kliniek voor noodgevallen)
einen Krankenwagen rufen — einen Rettungswagen bestellen (een ambulance bellen — een ambulance bestellen)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Aushang im Büro: Notdienste und Notruf

Vul de lege plekken in: Rückfragen, Notaufnahme, Notfall, Notruf, Feuerwehr, Notarzt, Krankenwagen

(Mededeling op kantoor: nooddiensten en noodnummer)

Aushang für Mitarbeitende: Bei einem rufen Sie sofort den 112 an. Die Leitstelle fragt: Wo sind Sie? Was ist passiert? Wie viele Verletzte? Warten Sie auf und bleiben Sie ruhig. Bei starken Beschwerden kommt ein , bei Bedarf auch ein . In die fährt man nur bei akuten Problemen oder nach Anweisung des Rettungsdienstes.

Für andere Situationen: Bei Feuer oder Rauch ist die zuständig. Bei kleineren Verletzungen kann das Rote Kreuz beraten. Sichern Sie, wenn möglich, die Umgebung und helfen Sie der betroffenen Person bis zum Eintreffen der Helfer.
Mededeling voor medewerkers: Bel bij een noodgeval direct 112. De meldkamer vraagt: Waar bent u? Wat is er gebeurd? Hoeveel gewonden zijn er? Wacht op vervolgvragen en blijf rustig. Bij ernstige klachten komt er een ambulance, en indien nodig ook een arts. Naar de spoedeisende hulp ga je alleen bij acute problemen of op aanwijzing van de hulpdiensten.

Voor andere situaties: Bij brand of rook is de brandweer verantwoordelijk. Bij kleinere verwondingen kan het Rode Kruis advies geven. Zorg, als het mogelijk is, voor een veilige omgeving en help de betrokken persoon tot de hulpverleners arriveren.

  1. Welche Informationen soll man am Telefon geben, und in welchen Fällen wird zusätzlich ein Notarzt gerufen?

    (Welke informatie moet je aan de telefoon doorgeven, en in welke gevallen wordt er ook een arts opgeroepen?)

Oefening 3: Luistervaardigheid

Instructie: Luister naar het audiofragment en geef aan of de volgende uitspraken waar of onwaar zijn.

Im Büro passiert ein Notfall: Eine Kollegin ist plötzlich zusammengebrochen und atmet schwer. Ich bleibe bei ihr und rufe den Notruf 112. Ich nenne unsere Adresse und sage, dass wir im dritten Stock sind. Kurz danach kommt ein Krankenwagen mit Notarzt. Bis die Helfer da sind, öffne ich die Tür und bitte einen Kollegen, die Einfahrt für den Krankenwagen freizuhalten. Anschließend begleite ich die Kollegin in die Notaufnahme.
(Op kantoor gebeurt er een noodgeval: Een collega is plotseling in elkaar gezakt en ademt zwaar. Ik blijf bij haar en bel het noodnummer 112. Ik noem ons adres en zeg dat we op de derde verdieping zijn. Kort daarna komt er een ambulance met een spoedarts. Tot de hulpverleners er zijn, doe ik de deur open en vraag ik een collega om de oprit voor de ambulance vrij te houden. Daarna begeleid ik de collega naar de spoedeisende hulp.)
Waar Onwaar

(De persoon belt 112 omdat een collega dringend hulp nodig heeft.)

(De spreker rijdt alleen met de taxi naar het ziekenhuis.)

(Vóór de hulpverleners arriveren zorgt de spreker ervoor dat de oprit vrij blijft.)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Gestern ___ ein Notfall, und ich rief sofort den Notruf 112 an.

(Gisteren ___ er een noodgeval en belde ik meteen 112.)

2. Der Krankenwagen ___ nach zehn Minuten vor dem Haus an.

(De ambulance ___ na tien minuten bij het huis aan.)

3. Die Nachbarin ___ den Krankenwagen, weil der Mann nicht mehr atmete.

(De buurvrouw ___ de ambulance, omdat de man niet meer ademde.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Discussievragen

Instructie: Beantwoord de vragen met het vocabulaire uit dit hoofdstuk.

Nuttige uitdrukkingen:

Ich rief den Notruf an und bestellte einen Krankenwagen. / Der Notarzt kam schnell und half sofort. / Ich war nervös, blieb aber ruhig und wartete auf Hilfe.

  1. Sie sind auf der Straße und jemand stürzt und blutet. Was machen Sie, und wen rufen Sie an?
    U bent op straat en iemand valt en bloedt. Wat doet u, en wie belt u?

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Beschreiben Sie kurz einen kleinen Notfall, den Sie erlebt haben oder sich vorstellen können: Was ist passiert und wer hat geholfen?
    Beschrijf kort een kleine noodsituatie die u heeft meegemaakt of die u zich kunt voorstellen: wat is er gebeurd en wie heeft geholpen?

    __________________________________________________________________________________________________________

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Anna (3. OG): Hallo zusammen, gerade im Treppenhaus: Ein älterer Mann ist gestürzt. Er war kurz nicht ansprechbar, jetzt atmet er wieder, aber er wirkt sehr schwach. Ich habe schon den Notruf 112 gewählt, der Krankenwagen ist unterwegs. Kann jemand schnell kommen und bei mir bleiben, bis der Notarzt da ist?


Anna (3e verdieping): Hallo allemaal, net in het trappenhuis: een oudere man is gevallen. Hij was even niet aanspreekbaar; nu ademt hij weer, maar hij ziet er erg zwak uit. Ik heb al 112 gebeld, de ambulance is onderweg. Kan iemand snel komen en bij mij blijven tot de ambulancebroeder er is?


Nuttige zinnen:

  1. Wie geht es dem Mann jetzt?

    (Hoe gaat het nu met de man?)

  2. Gut, dass du den Notruf 112 gerufen hast.

    (Goed dat je 112 hebt gebeld.)

  3. Ich kann in 2 Minuten kommen und helfen.

    (Ik kan over 2 minuten komen en helpen.)

Hallo Anna, wie geht es dem Mann jetzt? Gut, dass du den Notruf 112 gerufen hast. Ich bin gleich bei dir, brauche ~2 Minuten. Soll ich etwas mitbringen (z. B. Decke) oder die Feuerwehr informieren? Ich bleibe bei euch, bis der Notarzt da ist.

Hoi Anna, hoe gaat het nu met de man? Goed dat je 112 hebt gebeld. Ik ben zo bij je; ik doe er ongeveer 2 minuten over. Zal ik iets meebrengen (bijv. een deken) of de brandweer informeren? Ik blijf bij jullie tot de hulpdiensten er zijn.