De gebiedende wijs met voornaamwoorden: „Erledige es sofort!"

Der Imperativ mit Pronomen:„Erledige es sofort!"


Mit dem Imperativ und den passenden Pronomen (Akkusativ und Dativ) kann man höflich und effektiv sagen, was jemand tun soll. Beispiel: „Mach es!“, „Hilf mir!“, „Sag es mir!“

(Met de imperatief en de passende voornaamwoorden (accusatief en datief) kun je beleefd en effectief zeggen wat iemand moet doen. Voorbeeld: „Mach es!“, „Hilf mir!“, „Sag es mir!“)

Wat gebeurt er in deze zinnen?

  • Imperatief = opdracht/ verzoek: Erledige…, Hilf…, Gib…
  • Je vervangt een zelfstandig naamwoord door een voornaamwoord:
  • Akkusativ = het directe object (wat? wie?): es / ihn / sie / sie
  • Dativ = de ontvanger (aan wie? voor wie?): mir / dir / ihm / ihr / uns / euch / ihnen

Praktisch: vraag jezelf af: Wat moet er gedaan/gegeven worden? (Akk.) en aan wie? (Dat.).

Stap-voor-stap: zo kies je Akkusativ of Dativ

  1. Zoek het werkwoord (bijv. geben, schicken, erklären).
  2. Vraag 1: wat? → dat wordt meestal Akkusativ.

    Voorbeeld: Gib das Dokument …das Dokument (Akk.)

  3. Vraag 2: aan wie? → dat wordt Dativ.

    Voorbeeld: … dem Kollegendem Kollegen (Dat.)

  4. Vervang elk deel door het juiste pronomen: es/ihn/sie (Akk.) en mir/dir/ihm/ihr (Dat.).

De kernregel: volgorde bij twee voornaamwoorden

Als je beide gebruikt (Akk. + Dat.), dan is de volgorde:

Akkusativ-pronomen vóór Dativ-pronomen

Patroon Goed Niet doen
Akk. + Dat. Gib es mir! Gib mir es!
Akk. + Dat. Schick sie ihm. Schick ihm sie.

Waar zet je de voornaamwoorden in de imperatief?

  • In een imperatief staan voornaamwoorden meestal direct na het werkwoord.
  • Als er twee pronomen zijn, zet je ze allebei na het werkwoord in de juiste volgorde.
Type Voorbeeld
Alleen Akk. Erledige es bitte heute!
Alleen Dat. Hilf mir mit der Aufgabe!
Akk. + Dat. Gib es mir!

Snelle zelfcheck (30 seconden)

  1. Heb ik een ding/inhoud? → Akk. (es/ihn/sie/sie)
  2. Heb ik een ontvanger? → Dat. (mir/dir/ihm/ihr/uns/euch/ihnen)
  3. Staan er twee pronomen? → Akk. vóór Dat.
  4. Staan de pronomen direct na het werkwoord? (meestal wel)

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze voorkomt)

  • Fout 1: verkeerde volgorde

    Gib mir es.Gib es mir.

  • Fout 2: Akkusativ gebruiken als ontvanger

    Schick es mich.Schick es mir.

    Tip: de ontvanger is bijna altijd Dativ: mir/dir/ihm/…

  • Fout 3: het pronomen te laat zetten

    Zeig die Liste mir bitte.Zeig mir bitte die Liste.

  1. Als er zowel een datief- als een accusatiefvoornaamwoord wordt gebruikt, staat het accusatiefvoornaamwoord vóór het datiefvoornaamwoord.
Formel (Formule)Beispiel (Voorbeeld)
Imperativ + direktes Pronomen (Akk.)Erledige es bitte heute! (Rond het alsjeblieft vandaag af!)
Imperativ + indirektes Pronomen (Dat.)Hilf mir mit der Aufgabe! (Help mij met de taak!)
Akk. + Dat.Gib es mir! (Geef het aan mij!)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Bitte erledige ___ heute noch, das ist wichtig für das Team.

Rond ___ alsjeblieft vandaag nog af, dat is belangrijk voor het team.

2. Hilf ___ bitte kurz mit der Aufgabe, ich komme nicht weiter.

Help ___ alsjeblieft even met de taak, ik kom niet verder.

3. Gib ___ bitte sofort, ich muss es an die Leitung weitergeben.

Geef ___ alsjeblieft meteen, ik moet het aan de leiding doorgeven.

4. Schick ___ bitte per E-Mail, dann kann er die Kommunikation übernehmen.

Stuur ___ alsjeblieft per e-mail, dan kan hij de communicatie overnemen.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Formuleer de zinnen in de gebiedende wijs en vervang het zelfstandig naamwoord door het passende voornaamwoord (accusatief/datief). Als beide voornaamwoorden voorkomen, staat de accusatief vóór de datief (bijv. „Gib den Ordner dem Chef!“ → „Gib ihn ihm!“).

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Schick die E-Mail an den Kunden.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Schick sie ihm.
    (Stuur hem naar hem.)
  2. Erkläre die Aufgabe deiner Kollegin.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Erklär sie ihr.
    (Leg hem aan haar uit.)
  3. Bring die Dokumente zu mir.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Bring sie mir.
    (Breng ze naar mij.)
  4. Zeig den Ausweis dem Polizisten.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Zeig ihn ihm.
    (Laat hem aan hem zien.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Louis Fernando Hess

Bachelor of Science - Interculturele Business Psychologie

Hamm-Lippstadt University of Applied Sciences

University_Logo

Duitsland


Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 08/05/2026 11:44