A2.35: Lokale diensten en winkels

Lokale Dienstleistungen und Geschäfte

Leer in deze les nuttige Duitse uitdrukkingen voor het vragen naar lokale winkels en diensten, zoals 'Supermarkt', 'Friseur' en 'Toiletten'. Versterk je woordenschat met praktische dialogen over winkels en dienstverlening in het stadscentrum.

Woordenschat (15)

 Der Verkäufer: de verkoper (Duits)

Der Verkäufer

Show

De verkoper Show

 Der Markt: de markt (Duits)

Der Markt

Show

De markt Show

 Das Einkaufszentrum: het winkelcentrum (Duits)

Das Einkaufszentrum

Show

Het winkelcentrum Show

 Einkaufen gehen: boodschappen doen (Duits)

Einkaufen gehen

Show

Boodschappen doen Show

 Der Kunde: de klant (Duits)

Der Kunde

Show

De klant Show

 Der Blumenladen: De bloemenwinkel (Duits)

Der Blumenladen

Show

De bloemenwinkel Show

 Der Drogeriemarkt: De drogisterij (Duits)

Der Drogeriemarkt

Show

De drogisterij Show

 Der Metzger: De slager (Duits)

Der Metzger

Show

De slager Show

 Der Kiosk: De kiosk (Duits)

Der Kiosk

Show

De kiosk Show

 Der Geschenkladen: De cadeauwinkel (Duits)

Der Geschenkladen

Show

De cadeauwinkel Show

 Der Schreibwarenladen: de kantoorboekhandel (Duits)

Der Schreibwarenladen

Show

De kantoorboekhandel Show

 Hübsch: Mooi (Duits)

Hübsch

Show

Mooi Show

 Praktisch: praktisch (Duits)

Praktisch

Show

Praktisch Show

 (Etwas) besorgen ((iets) halen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

(Etwas) besorgen

Show

(iets) halen Show

 Der Schuster: De schoenmaker (Duits)

Der Schuster

Show

De schoenmaker Show

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ich ____ gestern im Einkaufszentrum etwas besorgen, aber der Laden war geschlossen.

(Ik ____ gisteren iets kopen in het winkelcentrum, maar de winkel was gesloten.)

2. Der Verkäufer ____ freundlich aus und half mir bei meiner Frage.

(De verkoper ____ er vriendelijk uit en hielp me met mijn vraag.)

3. Wenn ich Zeit hätte, ____ ich öfter im Blumenladen einkaufen gehen.

(Als ik tijd had, ____ ik vaker in de bloemenwinkel gaan winkelen.)

4. Die Kunden ____ das neue Angebot im Drogeriemarkt sehr.

(De klanten ____ het nieuwe aanbod in de drogisterij erg leuk.)

Oefening 3: Winkelen in het winkelcentrum

Instructie:

Letzte Woche (Mögen - Präteritum) ich das neue Einkaufszentrum besuchen, weil ich einige Dinge (Besorgen - Präteritum) musste. Zuerst (Sehen - Präteritum) ich den Blumenladen und (Mögen - Präteritum) die hübschen Blumen dort. Danach (Gehen - Präteritum) wir zum Drogeriemarkt, weil meine Frau ein Geschenk für ihre Freundin (Besorgen - Präteritum) . Am Ende des Tages (Sehen - Präteritum) ich den Metzger, und ich (Mögen - Präteritum) die frische Wurst, die er hatte.


Vorige week vond (Vinden - Verleden tijd) ik het nieuwe winkelcentrum leuk om te bezoeken, omdat ik een paar dingen moest halen (Halen - Verleden tijd). Eerst zag (Zien - Verleden tijd) ik de bloemenwinkel en vond (Vinden - Verleden tijd) ik de mooie bloemen daar. Daarna gingen (Gaan - Verleden tijd) we naar de drogisterij, omdat mijn vrouw een cadeau voor haar vriendin moest halen (Halen - Verleden tijd). Aan het eind van de dag zag (Zien - Verleden tijd) ik de slager, en ik vond (Vinden - Verleden tijd) de verse worst die hij had.

Werkwoordschema's

Mögen - Vinden

Präteritum

  • ich mochte
  • du mochtest
  • er/sie/es mochte
  • wir mochten
  • ihr mochtet
  • sie/Sie mochten

Sehen - Zien

Präteritum

  • ich sah
  • du sahst
  • er/sie/es sah
  • wir sahen
  • ihr saht
  • sie/Sie sahen

Besorgen - Halen

Präteritum

  • ich besorgte
  • du besorgtest
  • er/sie/es besorgte
  • wir besorgten
  • ihr besorgtet
  • sie/Sie besorgten

Gehen - Gaan

Präteritum

  • ich ging
  • du gingst
  • er/sie/es ging
  • wir gingen
  • ihr gingt
  • sie/Sie gingen

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Mögen mogen

Präteritum

Duits Nederlands
(ich) mochte ik mocht
(du) mochtest jij mocht
(er/sie/es) mochte hij/zij/het mocht
(wir) mochten wij mochten
(ihr) mochtet jullie mochten
(sie) mochten zij mochten

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Sehen zien

Präteritum

Duits Nederlands
(ich) sah ik zag
(du) sahst jij zag
(er/sie/es) sah hij/zij/het zag
(wir) sahen wij zagen
(ihr) saht jullie zagen
(sie) sahen zij zagen

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Duits oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Lokale diensten en winkels leren kennen

Deze les is gericht op het oefenen van gesprekken rond lokale winkels en diensten, vooral in situaties zoals een bezoek aan een winkelcentrum, een bakkerij of het verkennen van voorzieningen in een buurt. Het niveau is A2, wat betekent dat je al basiskennis hebt en deze nu uitbreidt met praktische dialogen en past tijdsvormen traint.

Belangrijke thema's in deze les

  • Locaties opzoeken en vragen: Bijvoorbeeld "Wo finde ich den Supermarkt?" of "Gibt es hier auch eine Reinigung?" Hiermee leer je hoe je naar winkels en diensten informeert en aanwijzingen begrijpt.
  • Bestellingen doen: Oefeningen zoals bij de bakker waarbij je brood, croissants of taart bestelt, inclusief vragen om aanbevelingen.
  • Diensten in de buurt bespreken: Gesprekken over waar je bijvoorbeeld een apotheek, bank, bibliotheek of fitnessstudio vindt.
  • Präteritum van veelgebruikte werkwoorden: De les richt zich op het gebruik van de verleden tijd van werkwoorden zoals mögen, sehen, besorgen en gehen. Bijvoorbeeld "Ich mochte gestern...", "Der Verkäufer sah freundlich aus...".

Voorbeelden van nuttige woorden en uitdrukkingen

  • das Einkaufszentrum – het winkelcentrum
  • der Supermarkt – de supermarkt
  • der Friseur – de kapper
  • die Apotheke – de apotheek
  • die Reinigung – de stomerij
  • die Tankstelle – het benzinestation
  • Bestellen en informeren: "Haben Sie auch Vollkornbrot?" "Wo sind die Toiletten?" "Kann ich ein Stück probieren?"

Grammatica en werkwoordsvormen in verleden tijd (Präteritum)

In deze les leer je belangrijke sterke en regelmatige werkwoorden in Präteritum. Dit is handig om over gebeurtenissen in het verleden te spreken en verhalen te vertellen, zoals in het korte verhaal "Einkaufen im Einkaufszentrum". Voorbeelden zijn:

  • mögen: ich mochte, du mochtest, er/sie/es mochte...
  • sehen: ich sah, du sahst, er/sie/es sah...
  • besorgen: ich besorgte, du besorgtest, er/sie/es besorgte...
  • gehen: ich ging, du gingst, er/sie/es ging...

Verschillen en nuttige vergelijkingen met het Nederlands

Hoewel de instructietaal Nederlands is, focust deze les op het Duits en worden er geen vertalingen gegeven in de dialogen zelf. Dit helpt om direct in het Duits te denken.

Let op het gebruik van de Duitse verleden tijd (Präteritum), die in het Nederlands vertaald wordt met de onvoltooid verleden tijd, bijvoorbeeld "mochte" = "ik vond leuk" of "zou graag willen".

Handige Duitse uitdrukkingen met hun Nederlandse equivalenten:

  • Entschuldigung, wo finde ich...? – Pardon, waar vind ik...?
  • Gibt es auch... – Is er ook...?
  • Ich hätte gerne... – Ik zou graag willen...
  • Wo sind die Toiletten? – Waar zijn de toiletten?
  • direkt neben – direct naast

Door deze woorden en structuren te leren, kun je jezelf gemakkelijker redden in dagelijkse situaties zoals winkelen, informatie vragen en diensten vinden.

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏