Ken de namen van lokale diensten en winkels.
Bespreek wat je in het winkelcentrum vindt.
Woordenschat
Leer de belangrijkste woorden en werkwoorden die je voor deze les nodig hebt.
Activiteit: Lokaal winkelen
Een gesprek over lokaal boodschappen doen bij de slager.
Grammatica: Tijd- en plaatsaanduiding met inversie: „Morgen gehen wir einkaufen"
Begint een zin met een plaats- of tijdsbepaling, dan staat het werkwoord meteen daarna, bijvoorbeeld „Um 20 Uhr mache ich Hausaufgaben".
Oefeningen
Pas in de praktijk toe wat je hebt geleerd.
In het klaslokaal
Spreken
Oefen spreken met je docent!