Das Perfekt und das Präteritum sind zwei verschiedene Möglichkeiten um im Deutschen die Vergangenheit auszudrücken.
(Het Perfekt en het Präteritum zijn twee verschillende manieren om in het Duits het verleden uit te drukken.)
- Perfekt: gesprekken over het nabije verleden (vooral mondeling)
- Perfekt: handelingen met betrekking tot het heden
- Präteritum: schrijftaal, verhalen, korte opeenvolging van gebeurtenissen in het verleden
| Zeitform (Tijdsvorm) | Beispiel (Voorbeeld) |
|---|---|
| Perfekt (Perfekt) | Diese Woche habe ich ein Konto eröffnet. (Deze week heb ik een rekening geopend.) |
| Perfekt (Perfekt) | Heute hast du deine EC-Karte benutzt. (Vandaag heb je je pinpas gebruikt.) |
| Präteritum (Onvoltooid verleden tijd) | Gestern lernte ich für den Test. (Gisteren leerde ik voor de toets.) |
| Präteritum (Onvoltooid verleden tijd) | Er kam in die Klasse und erklärte sofort den Stoff. (Hij kwam de klas binnen en legde meteen de stof uit.) |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Diese Woche ___ ich für den Test gelernt.
Deze week ___ ik voor de toets geleerd.2. Gestern ___ ich in der Schule einen Test.
Gisteren ___ ik op school een toets.3. Als Kind ___ ich in Deutschland in die Grundschule.
Als kind ___ ik in Duitsland naar de basisschool.4. Er ___ in die Klasse und erklärte sofort den Stundenplan.
Hij ___ de klas binnen en legde meteen het lesrooster uit.Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de zin die in deze situatie correct is (Perfekt of Präteritum).
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen in de passende verleden tijd: perfekt (voor mondelinge uitspraken of handelingen met betrekking tot het heden) of Präteritum (voor verhalen/schrift en korte opeenvolgingen).
-
Diese Woche eröffne ich ein neues Konto bei der Bank.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDiese Woche habe ich bei der Bank ein neues Konto eröffnet.(Deze week heb ik bij de bank een nieuwe rekening geopend.)
-
Heute benutzt du deine EC-Karte zum ersten Mal.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldHeute hast du deine EC-Karte zum ersten Mal benutzt.(Vandaag heb je je pinpas voor het eerst gebruikt.)
-
Gestern lerne ich den ganzen Abend für den Test.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldGestern lernte ich den ganzen Abend für den Test.(Gisteren leerde ik de hele avond voor de toets.)
-
Er kommt in die Klasse und erklärt sofort den Stoff.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldEr kam in die Klasse und erklärte sofort den Stoff.(Hij kwam de klas binnen en legde meteen de lesstof uit.)
Oefening 4: Grammatica in actie
Instructie: Vertel kort over je schooltijd en stel elkaar vragen.
- Woran erinnern Sie sich besonders aus der Grundschule oder weiterführenden Schule? (Waar herinnert u zich vooral iets van uit de basisschool of middelbare school?)
- Beschreiben Sie mit kurzer Folge: Was passierte an einem Schultag, als Sie ein Problem hatten? (Präteritum) )? Bitte im Gespräch nutzen: kurz erzählen. (Beschrijf kort in een reeks wat er op een schooldag gebeurde toen u een probleem had. (Präteritum) Gebruik in het gesprek: kort vertellen.)
- der Unterricht – viele Fächer (de les – veel vakken)
- der Test – eine gute/schlechte Note (de toets – een goed/slecht cijfer)
- die Ferien – viel Zeit zum Reisen (de vakantie – veel tijd om te reizen)
- Perfekt für Erlebnisse mit Bezug zur Gegenwart (Perfekt voor ervaringen met een link naar het heden)
- Präteritum für kurze Erzählungen und Ereignisfolgen (Präteritum voor korte verhalen en een opeenvolging van gebeurtenissen)