Die vergleichenden Konjunktionen „wie" und „als" werden benutzt um Gleichheit/Ungleichheit auszudrücken.
(De vergelijkende voegwoorden „wie“ en „als“ worden gebruikt om gelijkheid/ongelijkheid uit te drukken.)
- „Wie“ vergelijkt gelijke dingen.
- „Als“ vergelijkt verschillende dingen en gebruikt de vergrotende trap.
| Vergleich (Vergelijking) | Formel | Beispiel (Voorbeeld) |
|---|---|---|
| wie (zoals) | (genau)so + Adjektiv + wie | Der Strand ist genauso schön wie das Meer. (Het strand is net zo mooi als de zee.) |
| als (dan) | Komparativ + als | Der Flug ist schneller als der Zug. (De vlucht is sneller dan de trein.) |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Die Insel ist genauso ruhig ___ die Berge.
Het eiland is net zo rustig ___ de bergen.2. Der Städtetrip ist anstrengender ___ Urlaub am Strand.
De stedentrip is vermoeiender ___ vakantie aan het strand.3. Die Tour durch Berlin war fast so interessant ___ die Sehenswürdigkeit auf der Insel.
De tour door Berlijn was bijna net zo interessant ___ de bezienswaardigheid op het eiland.4. Mit dem Zug komme ich schneller ans Meer ___ mit dem Bus.
Met de trein kom ik sneller aan zee ___ met de bus.Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste vergelijkingsvorm met ‘als’ of ‘dan’.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen met de juiste vergelijking: gebruik „(precies) zo ... als“ voor gelijkheid en de vergrotende trap + „dan“ voor verschillen.
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDer Laptop ist genauso schnell wie der PC.(De laptop is net zo snel als de pc.)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDie Miete ist höher als ein Zimmer im Wohnheim.(De huur is hoger dan een kamer in een studentenhuis.)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldMeine Kollegin arbeitet genauso konzentriert wie ich.(Mijn collega werkt net zo geconcentreerd als ik.)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDie Fahrt mit dem Auto dauert länger als mit dem ICE.(De rit met de auto duurt langer dan met de ICE.)
Oefening 4: Grammatica in actie
Instructie: Vergelijk twee vakantieplannen en zeg welke beter past.
- Wohin möchtet ihr verreisen: Strand, Berge oder Insel – und warum? (Waar willen jullie naartoe: strand, bergen of een eiland – en waarom?)
- Welcher Plan ist günstiger oder bequemer als der andere? Erläutert kurz eure Gründe. (Welk plan is goedkoper of comfortabeler dan het andere? Leg kort uit waarom.)
- Der Strand ist genauso ruhig wie die Insel. (Het strand is net zo rustig als het eiland.)
- Die Berge sind besser zum Wandern als der Strand. (De bergen zijn beter om te wandelen dan het strand.)
- Ein Städtetrip ist typisch für viele Touristen. (Een stedentrip is typisch voor veel toeristen.)
- (genau)so + Adjektiv + wie ((precies)zo + bijvoeglijk naamwoord + als)
- Komparativ + als (vergrotende trap + dan)