Die vergleichenden Konjunktionen „wie" und „als" werden benutzt um Gleichheit/Ungleichheit auszudrücken.

(De verbindende woorden „wie“ en „als“ worden gebruikt om gelijkheid/ongelijkheid uit te drukken.)

Vergelijken in het Duits: eerst het overzicht

  • Gelijkheid (even … als) → so/genauso + Adjektiv + wie
  • Ongelijkheid (…er dan) → Komparativ + als

In het Duits kies je dus niet vrij tussen wenn / wie / als, maar volg je een vast patroon:

  • wie = dingen zijn (ongeveer) even …
  • als = het ene is meer/minder … dan het andere

Stap 1 – Wanneer gebruik je „wie“?

Gebruik wenn / so / genauso … wie als twee dingen even … zijn.

  • Structuur: (genauso / so) + Positiv + wie
  • Positiv = het normale bijvoeglijk naamwoord (niet -er)
Type Duits Nederlands
Gelijkheid Der Strand ist genauso ruhig wie unser Garten. Het strand is even rustig als onze tuin.
Gelijkheid Das Hotel ist so teuer wie die Ferienwohnung. Het hotel is zo duur als / even duur als het appartement.

Let op:

  • Na (genauso) / so komt altijd een positiv: schön, ruhig, teuer
  • Geen comparatief hier: genauso schöner wie is fout.

Stap 2 – Wanneer gebruik je „als“?

Gebruik als als één ding meer / minder / anders is dan iets anders.

  • Structuur: Komparativ + als
  • Komparativ = bijvoeglijk naamwoord met -er of onregelmatige vorm
Type Duits Nederlands
Ongelijkheid Der Flug ist schneller als der Zug. De vlucht is sneller dan de trein.
Ongelijkheid Heute ist es wärmer als gestern. Vandaag is het warmer dan gisteren.
Hoeveelheid Mein Kollege arbeitet mehr als ich. Mijn collega werkt meer dan ik.

Let op:

  • Na een komparativ (sneller, groter, interessanter, mehr, weniger) komt in het Duits altijd „als“.
  • schneller wie, teurer wie, mehr wie zijn fout in standaardduits.

Stap 3 – De valkuil voor Nederlandstaligen

In het Nederlands zeg je:

  • even … als (gelijkheid)
  • …er dan (ongelijkheid)

In het Duits is dat anders verdeeld:

Nederlands Duits Let op
even groß als genauso groß wie Nl als → D wie
größer dan größer als Nl dan → D als

Typische fout door Nederlands:

  • größer wie (letterlijk uit het Nederlands) → größer als

Stap 4 – Positiv of Komparativ? (snel checken)

Stel jezelf altijd eerst deze vraag:

  • Zijn de dingen even … ? → gebruik Positiv + wie
  • Is één duidelijk meer/minder … ? → gebruik Komparativ + als

Voorbeelden in paren:

Gelijkheid Ongelijkheid
Die Stadt ist so groß wie unsere Hauptstadt. Die Stadt ist größer als unsere Hauptstadt.
Mein Hotel ist genauso ruhig wie deins. Mein Hotel ist ruhiger als deins.

Stap 5 – Vorming van de Komparativ in het kort

Je hoeft hier nog niet alle details te kennen, maar dit helpt bij het herkennen:

  • Meestal: Adjektiv + -er
    • schnellschneller
    • billigbilliger
    • ruhigruhiger
  • Met Umlaut bij veel eenlettergrepige woorden:
    • warmwärmer
    • großgrößer
  • Onregelmatig, vaak gebruikt:
    • gutbesserbesser als
    • vielmehrmehr als
    • gernlieberlieber als

Belangrijk voor dit onderwerp:

  • Zie je -er of „mehr/weniger/lieber/besser“ → altijd „als“.

Stap 6 – Zelfcheck: kies „wie“ of „als“

  1. Kijk naar het bijvoeglijk naamwoord of bijwoord.
    • Zonder -er → Positiv → so/genauso … wie
    • Met -er of „mehr/weniger“ → Komparativ → … als
  2. Controleer de betekenis.
    • Zijn de twee elementen even sterk? → wie
    • Is er een verschil? → als

Test jezelf met deze zinnen (denk eerst, dan pas klik in het boek op de oplossing):

  • Der Zug ist ___ schnell ___ das Auto. (even snel)
  • Der Zug ist ___ schneller ___ das Auto. (sneller)

Oplossing in je hoofd:

  • Der Zug ist genauso schnell wie das Auto.
  • Der Zug ist schneller als das Auto.

Stap 7 – Typische fouten en hoe je ze herkent

  • Fout 1: Komparativ + wie
    • Der Flug ist billiger wie der Zug.
    • Correct: Der Flug ist billiger als der Zug.
    • Strategie: zie je -er? → direct „als“ kiezen.
  • Fout 2: (genauso/so) + Adjektiv + als
    • Die Wohnung ist genauso teuer als das Hotel.
    • Correct: Die Wohnung ist genauso teuer wie das Hotel.
    • Strategie: zie je „so“ of „genauso“ vóór het adjectief? → altijd „wie“.
  • Fout 3: „so + Komparativ + wie“
    • Der Flug war so billiger wie der Zug.
    • Correct: Der Flug war billiger als der Zug.
    • Strategie: na „so“ gebruik je geen -er-vorm.

Stap 8 – Handige vergelijkingstaal voor gesprekken

Met deze bouwstenen kun je al goed meedoen in gesprekken (bijvoorbeeld over vakantie, werk, stad):

  • genauso … wie
    • Der Strand ist genauso schön wie die Berge.
    • Mein Kurs ist genauso interessant wie dein Kurs.
  • so … wie (iets neutraler dan „genauso“)
    • Das Hotel ist so teuer wie das Apartment.
  • Komparativ + als
    • Ein Städtetrip ist spannender als ein Strandurlaub.
    • Die Berge sind im Sommer ruhiger als die Stadt.

Stap 9 – Wat moet je nu echt kunnen?

Na deze uitleg kun je voor jezelf checken of je het onderwerp beheerst:

  • Ik herken of een woord Positiv of Komparativ is.
  • Ik weet: Positiv → (genauso/so) … wie.
  • Ik weet: Komparativ/mehr/weniger → … als.
  • Ik vermijd bewust de fouten schneller wie en genauso teuer als.
  • Ik kan zelf zinnen vormen zoals:
    • „X ist genauso … wie Y“
    • „X ist …er als Y“

Als dit allemaal lukt, ben je klaar om in de les vooral te oefenen en spreken met deze vormen.

  1. „Wie“ vergelijkt dingen die gelijk zijn.
  2. „Als“ vergelijkt dingen die verschillend zijn en gebruikt de comparatief.
Vergleich (vergelijking)FormelBeispiel (voorbeeld)
wie (als / zoals)(genau)so + Adjektiv + wieDer Strand ist genauso schön wie das Meer. (Het strand is net zo mooi als de zee.)
als (dan)Komparativ + alsDer Flug ist schneller als der Zug. (De vlucht is sneller dan de trein.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Eine Zugfahrt in die Berge ist oft genauso teuer ___ ein Flug auf die Insel.

Een treinreis naar de bergen is vaak net zo duur ___ een vlucht naar het eiland.)

2. Für einen kurzen Städtetrip ist der Bus manchmal praktischer ___ das Auto.

Voor een korte stedentrip is de bus soms praktischer ___ de auto.)

3. Der Strandurlaub in Spanien war dieses Jahr viel entspannter ___ der Tour‑Marathon durch fünf Städte letztes Jahr.

De strandvakantie in Spanje was dit jaar veel ontspannender ___ de tour‑marathon door vijf steden vorig jaar.)

4. Diese Route durch Süddeutschland finde ich genauso interessant ___ eine Reise ans Meer, weil es viele Sehenswürdigkeiten gibt.

Deze route door Zuid‑Duitsland vind ik net zo interessant ___ een reis naar de zee, omdat er veel bezienswaardigheden zijn.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies in elke zin de grammaticaal juiste vergelijkingsvorm met „wie“ of „dan“.

1.
„zo … wie“ staat alleen met de positief (niet met de comparatief); hier is „dan“ correct.
Na een comparatief („sneller“) moet „dan“ staan, niet „wie“.
2.
Bij de comparatief („duurder“) heb je „dan“ nodig, niet „wie“.
Na „(even) …“ volgt „als“, niet „dan“.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen en maak een vergelijking met „zoals” (net zo … als) of „dan” (vergrotende trap + dan). Let op de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord of bijwoord.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (genauso … wie) Das Hotel ist teuer. Die Ferienwohnung ist teuer.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Das Hotel ist genauso teuer wie die Ferienwohnung.
    (Het hotel is net zo duur als het vakantieappartement.)
  2. Hint Hint (schneller als) Der Bus ist langsam. Die U-Bahn ist schnell.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Die U-Bahn ist schneller als der Bus.
    (De metro is sneller dan de bus.)
  3. Hint Hint (genauso … wie) Mein Deutschkurs ist interessant. Dein Deutschkurs ist interessant.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mein Deutschkurs ist genauso interessant wie dein Deutschkurs.
    (Mijn Duitse cursus is net zo interessant als jouw Duitse cursus.)
  4. Hint Hint (wärmer als) Heute ist es warm. Gestern war es kalt.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Heute ist es wärmer als gestern.
    (Vandaag is het warmer dan gisteren.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek met z’n tweeën jullie vakantieplannen en vergelijk de opties.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sie planen mit einer Kollegin gemeinsam den Sommerurlaub und vergleichen Reiseideen.
(U plant samen met een collega de zomervakantie en vergelijkt reisideeën.)

Bespreek
  • Was ist Ihnen im Urlaub wichtiger: der Strand oder die Berge? Warum? (Wat is voor u belangrijker op vakantie: het strand of de bergen? Waarom?)
  • Wäre ein Städtetrip für Sie interessanter als eine Inselreise? Begründen Sie.






































































 (Zou een stedentrip voor u interessanter zijn dan een eilandvakantie? Licht uw antwoord toe.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Der Strand ist für mich genauso wichtig wie Sehenswürdigkeiten. (Het strand is voor mij net zo belangrijk als bezienswaardigheden.)
  • Die Berge sind im Sommer ruhiger als ein Städtetrip. (De bergen zijn in de zomer rustiger dan een stedentrip.)
  • Diese Insel ist für Touristen interessanter als unsere letzte Route. (Dit eiland is voor toeristen interessanter dan onze vorige route.)

Gebruik in gesprek
  • genauso/so + Adjektiv + wie (net zo/zo + bijvoeglijk naamwoord + als)
  • Komparativ + als (vergrotende trap + dan/als)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Louis Fernando Hess

Bachelor of Science - Interculturele Business Psychologie

Hamm-Lippstadt University of Applied Sciences

University_Logo

Duitsland


Laatst bijgewerkt:

woensdag, 04/03/2026 20:54