Präteritum: onregelmatige werkwoorden (war, kam, rief, half)

Präteritum: unregelmäßige Verben (war, kam, rief, half)


Unregelmäßige Formen im Präteritum müssen meistens einfach auswendig gelernt werden.

(Onregelmatige vormen in de Präteritum moet je meestal gewoon uit het hoofd leren.)

Wanneer gebruik je het Präteritum (war, kam, rief, half)?

Het Präteritum is de “simpele verleden tijd” in het Duits.

  • In verhalen, rapportage en schriftelijke teksten komt het vaak voor.
  • In de spreektaal gebruikt men vaak Perfekt, maar sein en veel korte, onregelmatige werkwoorden zie je ook vaak in Präteritum.

In deze les gaat het om vier veelgebruikte onregelmatige vormen: sein, kommen, rufen, helfen.

Kernidee: onregelmatig = stam verandert (en je kunt het niet “uitrekenen”)

  • Bij onregelmatige werkwoorden verandert bijna altijd de stam in het Präteritum.
  • Je leert de vorm het snelst als vaste set per persoon (zoals in de tabel).
Infinitief Präteritum-stam Voorbeeld (ich)
sein war- ich war
kommen kam- ich kam
rufen rief- ich rief
helfen half- ich half

De vormen die je echt paraat wilt hebben (snelle check)

Focus op deze “ankers” — hiermee herken en bouw je de rest sneller.

  • ich: war, kam, rief, half
  • wir/sie/Sie: waren, kamen, riefen, halfen
  • ihr: wart, kamt, rieft, halft

Tip: wir en sie/Sie zijn hier steeds hetzelfde.

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze voorkomt)

  • Geen “-te” bij deze werkwoorden:
    • ich rufte → ich rief
    • wir helft(en) → wir halfen
  • Geen extra letters:
    • kammkam
    • warrwar
  • Let op de persoon (vooral bij wir/ihr):
    • wir war → wir waren
    • ihr waren → ihr wart

Stap-voor-stap: zo zet je een zin in het Präteritum

  1. Zoek het werkwoord: sein / kommen / rufen / helfen.
  2. Kies de persoon (ich, du, er/sie/es, wir, ihr, sie/Sie).
  3. Neem de juiste vorm uit de tabel.
  4. Andere werkwoorden in de zin? Zet die ook in verleden tijd (Präteritum of consequent Perfekt, afhankelijk van de opdracht).
Nu/heden Präteritum
Wir sind im Büro. Wir waren im Büro.
Er ruft die Kollegin an. Er rief die Kollegin an.
Wir helfen dem neuen Nachbarn. Wir halfen dem neuen Nachbarn.

Mini-zelftest (30 seconden)

  • Kun je zonder kijken aanvullen?
    • Gestern ___ ich krank. (sein) → war
    • Der Notarzt ___ schnell. (kommen) → kam
    • Ich ___ den Notruf. (rufen) → rief
    • Wir ___ dem Mann. (helfen) → halfen

Als dit vlot gaat, zit je goed: je herkent de onregelmatige stammen én koppelt ze aan de juiste persoon.

  1. Onregelmatige werkwoorden in de Präteritum veranderen bijna altijd de stam.
Person (persoon)sein (zijn)kommen (komen)rufen (roepen)helfen (helpen)
ich (ik)war (was)kam (kwam)rief (riep)half (hielp)
du (jij)warst (was)kamst (kwam)riefst (riep)halfst (hielp)
er/sie/es (hij/zij/het)war (was)kam (kwam)rief (riep)half (hielp)
wir (wij)waren (waren)kamen (kwamen)riefen (riepen)halfen (hielpen)
ihr (jullie)wart (waren)kamt (kwamen)rieft (riepen)halft (hielpen)
sie/Sie (zij/u)waren (waren)kamen (kwamen)riefen (riepen)halfen (hielpen)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Gestern ___ ich in der Notaufnahme, weil ich starke Schmerzen hatte.

Gisteren ___ ik op de spoedeisende hulp, omdat ik hevige pijn had.

2. Als der Krankenwagen ___, rief die Nachbarin sofort den Notruf.

Toen de ambulance ___, belde de buurvrouw meteen het noodnummer.

3. Der Notarzt ___ mich zurück und stellte noch zwei Fragen.

De spoedarts ___ me terug en stelde nog twee vragen.

4. Im Treppenhaus ___ wir dem Mann, bis die Feuerwehr da war.

In het trappenhuis ___ we de man totdat de brandweer er was.

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin in de Präteritum.

1.
„wäre“ is Konjunktiv II, geen Präteritum; de juiste vorm is „war“.
Hier staat de tegenwoordige tijd („bin“) in plaats van de Präteritum; correct zou „ich war“ zijn.
2.
Mengt tegenwoordige tijd/Perfekt; voor een verhaal in het verleden heb je Präteritum nodig: „kam“ en „half“.
„kamm“ bevat een dubbele medeklinker – juist is „kam“ (onregelmatig).

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Schrijf de zinnen in de preteritum en zet de juiste vorm van sein, kommen, rufen oder helfen in (Voorbeeld: Wir sind im Büro. → Wir waren im Büro.).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Ich bin gestern krank und bleibe zu Hause.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ich war gestern krank und blieb zu Hause.
    (Ik was gisteren ziek en bleef thuis.)
  2. Du kommst heute spät zur Besprechung.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Du kamst heute spät zur Besprechung.
    (Jij kwam vandaag laat naar de vergadering.)
  3. Er ruft seine Kollegin an und fragt nach den Unterlagen.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Er rief seine Kollegin an und fragte nach den Unterlagen.
    (Hij belde zijn collega en vroeg naar de documenten.)
  4. Wir helfen dem neuen Nachbarn mit dem Umzug.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Wir halfen dem neuen Nachbarn beim Umzug.
    (Wij hielpen de nieuwe buurman met de verhuizing.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Vertelt de gebeurtenissen en wie wie bij de hulpdienst hielp.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Gestern gab es einen Notfall im Büro; der Notarzt und Krankenwagen kamen schnell.
(Gisteren was er een noodgeval op kantoor; de spoedarts en de ambulance kwamen snel.)

Bespreek
  • Was war genau der Notfall, und wo wart ihr im Büro? (Wat was precies het noodgeval, en waar waren jullie op kantoor?)
  • Wer rief den Notruf und was sagte diese Person am Telefon?","Wer half der verletzten Person zuerst, bis der Krankenwagen kam?","Was passierte in der Notaufnahme, nachdem ihr angekommen wart? (Wie belde het alarmnummer en wat zei die persoon aan de telefoon?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ich rief den Notruf und erklärte den Notfall. (Ik belde het alarmnummer en legde het noodgeval uit.)
  • Der Notarzt kam schnell, der Krankenwagen kam kurz danach. (De spoedarts kwam snel, de ambulance kwam kort daarna.)
  • Wir waren in der Notaufnahme, bis alles stabil war. (We waren op de spoedeisende hulp, totdat alles stabiel was.)

Gebruik in gesprek
  • ich war / wir waren (ik was / wij waren)
  • er rief / wir riefen (hij belde / wij belden)
  • der Notarzt kam / der Krankenwagen kam (de spoedarts kwam / de ambulance kwam)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Louis Fernando Hess

Bachelor of Science - Interculturele Business Psychologie

Hamm-Lippstadt University of Applied Sciences

University_Logo

Duitsland


Laatst bijgewerkt:

woensdag, 15/04/2026 16:06