Die indirekte Rede mit „dass" kannst du benutzen, um Aussagen anderer wiederzugeben.

(Je kunt de indirecte rede met „dass" gebruiken om uitspraken van anderen weer te geven.)

Wat leer je in dit hoofdstuk?

  • Hoe je directe rede ("Ik esse ...") omzet in indirekte Rede met dass.
  • Welke tijdsvorm je in de bijzin gebruikt (Präsens / Präteritum, met of zonder modalwerkwoord).
  • Welke woordvolgorde de bijzin met dass heeft.
  • Waar je typisch fouten maakt – en hoe je die eenvoudig zelf kunt controleren.

Stap 1 – Directe of indirecte rede?

In de directe rede citeer je iemand letterlijk.

  • Sie sagt: „Ich esse mehr Obst.“

In de indirecte rede vertel jij wat iemand zegt.

  • Sie sagt, dass sie mehr Obst isst.

Belangrijk:

  • Voor A2 gebruik je vooral de constructie met dass + bijzin.
  • Je past de persoon (ich, du, er …) aan.
  • Je laat de tijdsvorm van de oorspronkelijke zin staan.

Stap 2 – De basisstructuur met „dass“

Een zin in indirekte Rede met dass heeft een vaste vorm:

  1. Hoofdzin (wie spreekt? welk werkwoord?)
  2. Komma
  3. dass
  4. Onderwerp + rest
  5. Persoonsvorm van het werkwoord helemaal achteraan
Duits Structuur Nederlands
Er sagt, dass er wenig Zeit hat. Er sagt, | dass | er wenig Zeit hat. Hij zegt dat hij weinig tijd heeft.
Sie meint, dass wir morgen kommen. Sie meint, | dass | wir morgen kommen. Ze vindt dat wij morgen komen.

Zelfcheck woordvolgorde

  • Staat er een gesproken werkwoord vóór het eind van de bijzin? → Dan is het meestal fout.
  • Kun je het werkwoord helemaal achteraan zetten? → Dan is het meestal goed.

Stap 3 – Personen veranderen (ich → er, du → ich …)

In de directe rede spreekt de persoon over zichzelf. In de indirecte rede spreek jij over die persoon. De persoon verandert dus vaak.

Directe rede Indirekte Rede Opmerking
Anna: „Ich esse viel Obst.“ Anna sagt, dass sie viel Obst isst. ichsie
Der Arzt: „Sie sollen mehr Wasser trinken!“ Der Arzt sagt, dass ich mehr Wasser trinken soll. Sie (tegen mij) → ich
Mein Vater: „Wir machten früher Sport.“ Mein Vater sagt, dass wir früher Sport machten. wir blijft wir (ik hoor erbij)

Zelfcheck personen

  • Vraag jezelf: Over wie gaat „ich“ in het citaat precies?
  • Vervang „ich“ in de indirekte Rede door die persoon: er, sie, ich, wir …
  • Kijk of het logisch klinkt in het Nederlands. Als het in het Nederlands niet klopt, controleer dan je persoon in het Duits.

Stap 4 – Tijden: dezelfde tijd blijven gebruiken

Voor A2 is de belangrijkste regel:

De tijd van de directe rede blijft in de indirekte Rede hetzelfde.

Tijd in directe rede Voorbeeld directe rede Indirekte Rede met „dass“
Präsens „Ich esse viel Obst.“ Er sagt, dass er viel Obst isst.
Präsens + Modalverb „Du sollst mehr schlafen.“ Der Arzt sagt, dass ich mehr schlafen soll.
Präteritum „Wir machten jeden Tag Sport.“ Er sagt, dass sie jeden Tag Sport machten.
Präteritum + Modalverb „Sie konnten nicht viel Sport machen.“ Er meint, dass sie nicht viel Sport machen konnten.

Typische fouten:

  • Sie sagt, dass sie jeden Morgen Haferflocken aß.
  • Goed: isst (Präsens blijft Präsens).

Zelfcheck tijden

  1. Onderstreep in de directe rede het werkwoord: isst / machte / konnte …
  2. Gebruik dezelfde tijd in de indirekte Rede.
  3. Alleen de persoon mag veranderen, niet de tijd.

Stap 5 – Woordvolgorde met (modal)werkwoorden

In de bijzin met dass staat de persoonsvorm altijd achteraan. Bij twee werkwoorden komen ze allebei achteraan.

  • Hoofdwerkwoord alleen → achteraan.
  • Modalwerkwoord + infinitief → infinitief + modalwerkwoord achteraan.
Type Voorbeeld Structuur bijzin
1 werkwoord Er sagt, dass sie mehr Wasser trinkt. … dass sie mehr Wasser trinkt.
Modal + infinitief (Präsens) Der Arzt sagt, dass ich mehr Wasser trinken soll. … dass ich mehr Wasser trinken soll.
Modal + infinitief (Präteritum) Sie meint, dass ich früher nicht viel Sport machen konnte. … dass ich nicht viel Sport machen konnte.

Fouten waarbij je alert moet zijn:

  • …, dass sie früher jeden Abend hat gekocht.
  • Goed: …, dass sie früher jeden Abend gekocht hat.

Zelfcheck werkwoorden

  • Tel de werkwoorden in de dass-zin.
  • Staan alle werkwoorden helemaal achteraan? → Dan is het meestal goed.
  • Staat er nog een ander woord ná het laatste werkwoord? → Dan klopt de volgorde niet.

Stap 6 – Wanneer gebruik je „dass“ (en wanneer niet)?

In deze les oefen je vooral met zinnen met „dass“.

  • Na werkwoorden van zeggen/denken/menen: sagen, meinen, denken, erzählen, glauben …
  • Je kunt vaak ook zonder „dass“ praten: Er sagt, er ist müde.
  • Voor A2 is de vorm met „dass“ echter duidelijker en veiliger.

Praktisch advies:

  • Gebruik in het begin altijd „dass“ na zeggen/denken/finden.
  • Als dit automatisme er is, kun je later variëren zonder „dass“.

Stap 7 – Typische valkuilen (en snelle oplossingen)

  • 1. Verkeerde tijd
    Fout: Sie sagt, dass sie früher jeden Abend kocht.
    Goed: Sie sagt, dass sie früher jeden Abend gekocht hat / kochte (afhankelijk van de directe rede).
  • 2. Verkeerde plek van „dass“
    Fout: Sie sagt, sie isst dass jeden Morgen Haferflocken.
    Goed: Sie sagt, dass sie jeden Morgen Haferflocken isst.
  • 3. Geen bijzinvolgorde
    Fout: Der Arzt meint, dass ich soll weniger Kaffee trinken.
    Goed: Der Arzt meint, dass ich weniger Kaffee trinken soll.
  • 4. Modale betekenis veranderen
    Fout: Der Arzt meint, dass ich weniger Kaffee trinken sollte.
    Waarom fout op A2? sollte klinkt als een voorzichtige aanbeveling / irrealis, niet als de oorspronkelijke duidelijke opdracht.
    Goed: Der Arzt meint, dass ich weniger Kaffee trinken soll.

Stap 8 – Zelftest: kan ik dit nu?

Ga stap voor stap door deze korte checklist. Als je overal „ja“ zegt, beheers je de basis.

  1. Kan ik in een Duitse zin met citaat herkennen:
    • wie er spreekt (Er sagt …, Meine Kollegin meint …)?
    • wat de oorspronkelijke tijd is (Präsens / Präteritum, met of zonder modalwerkwoord)?
  2. Kan ik het citaat omzetten naar:
    • Hoofdzin + Komma + dass + bijzin?
    • met het werkwoord (of de werkwoorden) achteraan in de bijzin?
  3. Pas ik de persoon logisch aan (ich → er/sie, du → ich, wir → sie …)?
  4. Laat ik de tijdsvorm dezelfde als in de directe rede?
  5. Kan ik 3 eigen voorbeelden maken, bijvoorbeeld uit mijn werk of privéleven?
    • „Ich habe wenig Zeit.“ → Er sagt, dass …
    • „Wir konnten gestern nicht kommen.“ → Sie sagt, dass …
    • „Du sollst mehr Pausen machen.“ → Mein Chef meint, dass …

Als je merkt dat er iets nog niet automatisch gaat, kijk dan vooral nog eens naar:

  • Stap 2 voor de structuur met „dass“.
  • Stap 4 voor de tijden.
  • Stap 5 voor de woordvolgorde bij (modal)werkwoorden.

Werk rustig, controleer jezelf met de zelfchecks, en gebruik daarna de klasactiviteiten om vooral te spreken met deze zinnen.

Tense (Tijd)Beispiel direkte Rede (Voorbeeld directe rede)Beispiel indirekte Rede (Voorbeeld indirecte rede)
Präsens„Ich esse sehr viel Obst" („Ik eet heel veel fruit”)Er sagt, dass er sehr viel Obst isst. (Hij zegt dat hij heel veel fruit eet.)
Präsens (mit Modalverb)„Du sollst weniger Wasser trinken!" („Je zou minder water moeten drinken!”)Der Arzt sagt, dass ich mehr Wasser trinken soll. (De arts zegt dat ik meer water moet drinken.)
Präteritum„Wir machten jeden Tag Sport" („We deden elke dag aan sport”)Er sagt, dass er jeden Tag Sport machte. (Hij zegt dat hij elke dag aan sport deed.)
Präteritum (mit Modalverb)„Sie konnten nicht viel Sport machen früher" („Ze konden vroeger niet veel aan sport doen”)Er meint, dass sie nicht viel Sport machen konnten früher. (Hij vindt dat ze vroeger niet veel aan sport konden doen.)

Uitzonderingen!

  1. Belangrijk: de tijd van de oorspronkelijke zin moet behouden blijven!

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Meine Kollegin sagt, ____ sie jetzt jeden Tag einen gesunden Snack mit ins Büro bringt.

Mijn collega zegt, ____ ze nu elke dag een gezonde snack mee naar kantoor neemt.)

2. Die Ernährungsberaterin meint, ____ ich weniger fettige Lebensmittel essen soll.

De voedingsdeskundige vindt dat ik minder vette voedingsmiddelen moet eten.)

3. Mein Freund sagt, ____ er früher jeden Abend Chips aß.

Mijn vriend zegt dat hij vroeger elke avond chips at.)

4. Mein Kollege erzählt, dass der Arzt gesagt hat, ____ er mehr Wasser trinken soll.

Mijn collega vertelt dat de dokter heeft gezegd ____ hij meer water moet drinken.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies in elke groep de grammaticaal correcte zin in de indirecte rede met "dat".

1.
Fout: tijd is veranderd; de indirecte rede moet hier de oorspronkelijke tegenwoordige tijd (eet) behouden.
Fout: verkeerde positie van "dat" en geen bijzin met het werkwoord op het einde.
2.
Fout: verkeerde woordvolgorde en verkeerde positie van "dat"; in een bijzin staat het werkwoord aan het einde.
Fout: "zou moeten" verandert de modale betekenis (conjunctief/irrealis) en is voor deze A2-oefening niet correct.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen in de indirecte rede met „dass“. Let erop de tijdsvorm (tegenwoordige tijd of verleden tijd, eventueel met een modaal werkwoord) te behouden. Voorbeeld: „Ich esse viel Obst.“ → Er sagt, dass er veel fruit eet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (dass) Der Arzt sagt: „Sie sollen mehr Wasser trinken!“
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Der Arzt sagt, dass ich mehr Wasser trinken soll.
    (Der Arzt zegt dat ik meer water moet drinken.)
  2. Meine Kollegin sagt: „Ich esse jeden Tag Salat.“
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Meine Kollegin sagt, dass sie jeden Tag Salat isst.
    (Meine collega zegt dat zij elke dag salade eet.)
  3. Mein Vater sagte: „Wir machten früher jeden Abend einen Spaziergang.“
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mein Vater sagte, dass wir früher jeden Abend einen Spaziergang machten.
    (Mijn vader zei dat wij vroeger elke avond een wandeling maakten.)
  4. Hint Hint (dass) Die Trainerin meinte: „Du konntest letzte Woche nicht viel Sport machen.“
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Die Trainerin meinte, dass ich letzte Woche nicht viel Sport machen konnte.
    (De trainster zei dat ik vorige week niet veel sport kon doen.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Vertel uw partner wat de voedingsdeskundige heeft gezegd.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sie sind bei einer Ernährungsberatung und erzählen später einer Kollegin davon.
(U bent bij een voedingsadvies geweest en vertelt er later aan een collega over.)

Bespreek
  • Was sagt die Ernährungsberaterin, dass Sie morgens essen sollen? (Wat zegt de voedingsconsulente dat u ’s ochtends moet eten?)
  • Welche Tipps erwähnt sie, dass Sie beim Mittagessen beachten sollen? Warum? (Welke tips noemt zij die u bij de lunch in acht moet nemen? Waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Die Ernährungsberaterin sagt, dass meine Ernährung ausgewogener sein sollte. (De voedingsconsulente zegt dat mijn voeding evenwichtiger zou moeten zijn.)
  • Sie meint, dass ich weniger fettige Snacks essen soll. (Zij zegt dat ik minder vette tussendoortjes moet eten.)
  • Sie sagt, dass ich versuchen soll, mehr Obst zu essen. (Ze zegt dat ik moet proberen meer fruit te eten.)

Gebruik in gesprek
  • Er sagt, dass … (Hij zegt dat …)
  • Sie meint, dass … (Zij bedoelt dat …)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Louis Fernando Hess

Bachelor of Science - Interculturele Business Psychologie

Hamm-Lippstadt University of Applied Sciences

University_Logo

Duitsland


Laatst bijgewerkt:

donderdag, 05/03/2026 23:17