Die indirekte Rede mit „dass" kannst du benutzen, um Aussagen anderer wiederzugeben.
(De indirecte rede met
| Tense (Tijd) | Beispiel direkte Rede (Voorbeeld directe rede) | Beispiel indirekte Rede (Voorbeeld indirecte rede) |
|---|---|---|
| Präsens | „Ich esse sehr viel Obst" („Ik eet heel veel fruit") | Er sagt, dass er sehr viel Obst isst. (Hij zegt dat hij heel veel fruit eet.) |
| Präsens (mit Modalverb) | „Du sollst weniger Wasser trinken!" („Je moet minder water drinken!") | Der Arzt sagt, dass ich mehr Wasser trinken soll. (De dokter zegt dat ik meer water moet drinken.) |
| Präteritum | „Wir machten jeden Tag Sport" („Wij sportten elke dag") | Er sagt, dass er jeden Tag Sport machte. (Hij zegt dat hij elke dag sportte.) |
| Präteritum (mit Modalverb) | „Sie konnten nicht viel Sport machen früher" („Vroeger konden ze niet veel sporten") | Er meint, dass sie nicht viel Sport machen konnten früher. (Hij vindt dat ze vroeger niet veel konden sporten.) |
Uitzonderingen!
- Belangrijk: de tijd van de oorspronkelijke zin moet behouden blijven!
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Die Ernährungsberaterin sagt, dass ich weniger fettige Snacks essen _____.
De voedingsdeskundige zegt dat ik minder vette snacks _____.2. Meine Kollegin meint, dass sie sich vegetarisch _____.
Mijn collega zegt dat ze vegetarisch _____.3. Der Arzt sagt, dass ich letzte Woche versucht _____, abzunehmen.
De arts zegt dat ik vorige week geprobeerd _____ om af te vallen.4. Mein Freund erzählt, dass er früher jeden Tag Sport _____.
Mijn vriend vertelt dat hij vroeger elke dag _____.Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de grammaticaal juiste zin in de indirecte rede met ‘dat’.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Zet de directe rede om in indirecte rede met „dat“ en behoud de tijdsvorm (bijv. „Ik eet…“ → Hij zegt dat hij … eet).
-
Die Kollegin sagt: „Ich esse in der Kantine oft Salat.“⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDie Kollegin sagt, dass sie in der Kantine oft Salat isst.(De collega zegt dat ze in de kantine vaak salade eet.)
-
Der Arzt sagt zu mir: „Sie sollen mehr Wasser trinken!“⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDer Arzt sagt, dass ich mehr Wasser trinken soll.(De arts zegt dat ik meer water moet drinken.)
-
Paul sagt: „Wir machen jeden Freitag zusammen Sport.“⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldPaul sagt, dass sie jeden Freitag zusammen Sport machen.(Paul zegt dat ze elke vrijdag samen sporten.)
-
Die Trainerin sagt: „Ihr müsst heute langsam laufen.“⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDie Trainerin sagt, dass sie heute langsam laufen müssen.(De trainster zegt dat jullie vandaag langzaam moeten lopen.)
Oefening 4: Grammatica in actie
Instructie: Vertel elkaar de aanbevelingen en vraag naar exacte details.
- Welche Tipps zur gesunden Ernährung hat die Beraterin gegeben? (Welke tips voor gezonde voeding heeft de deskundige gegeven?)
- Welche Gewohnheiten fand sie ungesund oder zu fettig und warum? (Welke gewoonten vond ze ongezond of te vet, en waarom?)
- eine ausgewogene Ernährung ist wichtig (een evenwichtige voeding is belangrijk)
- natürliche Snacks statt fettiger Snacks (natuurlijke snacks in plaats van vette snacks)
- du sollst mehr Wasser trinken (je moet meer water drinken)
- Sie sagt, dass ... (Ze zegt dat ...)
- Der Arzt meint, dass ... (De arts vindt dat ...)
- Er erklärt, dass ich ... soll (Hij legt uit dat ik ... moet doen)