Reflexive Verben mit Dativ/Akkusativ Objekten werden verwendet, wenn die Handlung das Subjekt direkt oder indirekt betrifft.

(Reflexieve werkwoorden met datief/accusatief voorwerpen worden gebruikt wanneer de handeling het onderwerp direct of indirect betreft.)

  1. Als er maar één lijdend voorwerp in de zin is: het wederkerend voornaamwoord staat in de accusatief.
  2. Als er meer dan één lijdend voorwerp in de zin staat: het wederkerend voornaamwoord staat in de datief.
Verb (Werkwoord)Akkusativ (Reflexivpronomen im Akkusativ) (Accusativus (wederkerend voornaamwoord in de accusativus))Dativ (Reflexivpronomen im Dativ) (Datief (wederkerend voornaamwoord in de datief))
Kämmen (Kam)ich kämme mich (ik kam me)ich kämme mir die Haare (ik kam mij het haar)
 du kämmst dich (jij kamt je)du kämmst dir die Haare (jij kamt je het haar)
 er/sie/es kämmt sich (hij/zij/het kamt zich)er/sie/es kämmt sich die Haare (hij/zij/het kamt zich het haar)
 wir kämmen uns (wij kammen ons)wir kämmen uns die Haare (wij kammen ons het haar)
 ihr kämmt euch (jullie kammen je/jullie)ihr kämmt euch die Haare (jullie kammen je/jullie het haar)
 sie/Sie kämmen sich (zij/U kammen zich)sie/Sie kämmen sich die Haare (zij/U kammen zich het haar)

Oefening 1: Reflexieve werkwoorden: „sich kämmen, sich freuen"

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

dich, euch, sich, dir, uns

1.
Wir kaufen ... neue Schuhe.
(We kopen nieuwe schoenen.)
2.
Wir setzen ... an den Tisch.
(We gaan aan tafel zitten.)
3.
Ihr kocht ... ein leckeres Abendessen.
(Jullie koken een lekkere avondmaaltijd.)
4.
Du wäschst ... das Gesicht.
(Je wast je gezicht.)
5.
Du freust ... über das Geschenk.
(Je bent blij met het cadeau.)
6.
Er rasiert ... den Bart.
(Hij scheert zijn baard.)
7.
Sie ärgert ... oft über das Wetter.
(Ze ergert zich vaak over het weer.)
8.
Sie schreiben ... Notizen.
(Ze maken aantekeningen.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies steeds de correcte vorm van het wederkerend werkwoord met datief of accusatief. Let op het juiste gebruik van het wederkerend voornaamwoord, afhankelijk van of er in de zin maar één of meerdere voorwerpen zijn.

1.
Het wederkerend voornaamwoord moet bij de 1e persoon enkelvoud passen, dus 'me' in plaats van 'je'.
Het wederkerend voornaamwoord moet in de accusatief staan, niet in de datief, omdat er maar één voorwerp is.
2.
Bij twee voorwerpen staat het wederkerend voornaamwoord in de datief ('je'). Hier is 'je' niet correct.
Het werkwoord 'kammen' vereist hier een accusatiefvoorwerp (bijv. 'het haar'); zonder dat ontbreekt de aanvulling.
3.
De dubbele 'ons' is fout; het wederkerend voornaamwoord staat slechts één keer in de datief.
Zonder het accusatiefvoorwerp ('het haar') is de zin bij 'kammen' onvolledig.
4.
Een dubbel wederkerend voornaamwoord is in deze zin niet correct.
Het wederkerend voornaamwoord ontbreekt of staat op de verkeerde plaats, daarom is de zin ongrammaticaal.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het juiste wederkerend voornaamwoord (accusatief of datief: mich/mir, dich/dir, sich, uns, euch). Voorbeeld: Ich wasche die Hände. → Ich wasche mir die Hände.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (mir) Ich kämme die Haare.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich kämme mir die Haare.
    (Ich kämme mir die Haare.)
  2. Hint Hint (dir) Du musst jeden Morgen die Haare kämmen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Du musst dir jeden Morgen die Haare kämmen.
    (Du musst dir jeden Morgen die Haare kämmen.)
  3. Hint Hint (sich) Er kämmt jeden Morgen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Er kämmt sich jeden Morgen.
    (Er kämmt sich jeden Morgen.)
  4. Hint Hint (uns) Wir kämmen die Haare vor dem Meeting.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wir kämmen uns vor dem Meeting die Haare.
    (Wir kämmen uns vor dem Meeting die Haare.)
  5. Hint Hint (euch) Ihr kämmt immer zuerst die Haare und dann das Kind.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ihr kämmt euch zuerst die eigenen Haare und dann das Kind.
    (Ihr kämmt euch eerst de eigen haren en dan het kind.)
  6. Hint Hint (sich) Meine Kolleginnen kämmen die Haare im Bad.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Meine Kolleginnen kämmen sich im Bad die Haare.
    (Meine Kolleginnen kämmen sich im Bad die Haare.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Louis Fernando Hess

Bachelor of Science - Interculturele Business Psychologie

Hamm-Lippstadt University of Applied Sciences

University_Logo

Duitsland


Laatst bijgewerkt:

zaterdag, 10/01/2026 15:41