A2.42 - Organisatie en delegatie
A2.42 - Organisatie en delegatie

A2.42 - Organisatie en delegatie - Oefeningen

Organisation und Delegation


Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel de items die een verwante betekenis hebben.

die Abteilung — die Abteilung (das Team) (de afdeling — de afdeling (het team))
der Leiter — der Chef (de leiding — de baas)
zuständig sein für — die Verantwortung haben für (verantwoordelijk zijn voor — de verantwoordelijkheid dragen voor)
dringend — sofort nötig (dringend — meteen nodig)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Mitteilung: Aufgaben und Zuständigkeiten im Projektteam

Vul de lege plekken in: Abteilung, Organisation, System, Abteilung, erledigen, Dringende, geändert, Leiterin

(Mededeling: taken en verantwoordelijkheden in het projectteam)

Mitteilung im Intranet: Ab Montag arbeiten wir mit einer neuen im Projekt. Jede hat jetzt eine feste Ansprechperson. Frau Koch ist für den Vertrieb, Herr Yilmaz für die IT. Bitte organisieren Sie Ihre Aufgaben im und prüfen Sie täglich die Mitteilungen.

Letzte Woche hat die Teamleitung gesagt, dass sie das System organisiert hat. Außerdem hat sie erklärt, dass sie die Zuständigkeiten hat. Anfragen sollen Sie zuerst und danach kurz im System dokumentieren. Bei Fragen wenden Sie sich bitte an Ihre oder an die Leiterin.
Mededeling op het intranet: vanaf maandag werken we binnen het project met een nieuwe organisatie. Iedere afdeling heeft nu een vaste contactpersoon. Mevrouw Koch is verantwoordelijk voor de verkoop, meneer Yilmaz voor de IT. Registreer uw taken in het systeem en controleer dagelijks de mededelingen.

Vorige week heeft de teamleiding gemeld dat het systeem is ingericht. Daarnaast heeft zij uitgelegd dat de verantwoordelijkheden zijn gewijzigd. Dringende aanvragen moet u eerst afhandelen en daarna kort in het systeem vastleggen. Bij vragen kunt u terecht bij uw afdeling of bij de leidinggevende.

  1. Welche Aufgaben sollen die Mitarbeitenden im System organisieren und was müssen sie bei dringenden Anfragen tun?

    (Welke taken moeten de medewerkers in het systeem vastleggen en wat moeten ze doen bij dringende aanvragen?)

Oefening 3: Luistervaardigheid

Instructie: Luister naar het audiofragment en geef aan of de volgende uitspraken waar of onwaar zijn.

Heute im Büro muss ich die Arbeit in unserer Abteilung besser organisieren. Unser Leiter hat mir eine Mitteilung geschickt: Das System für Urlaubsanträge ist geändert. Ich erkläre es gleich im Team. Anna ist zuständig für die Liste, und Ben soll die alten Anträge erledigen. Bei dir ist es dringend: Bitte ändere heute noch die Datei im Ordner "Planung" und schick mir kurz eine Nachricht, wenn sie fertig ist.
(Vandaag op kantoor moet ik het werk binnen onze afdeling beter organiseren. Onze leidinggevende heeft mij een bericht gestuurd: het systeem voor vakantieaanvragen is veranderd. Ik leg het straks aan het team uit. Anna is verantwoordelijk voor de lijst en Ben moet de oude aanvragen afhandelen. Voor jou is het dringend: wijzig vandaag nog het bestand in de map "Planning" en stuur me even een berichtje zodra het klaar is.)
Waar Onwaar

(De spreekster wil het team meteen uitleggen dat het systeem voor vakantieaanvragen veranderd is.)

(Ben moet nieuwe vakantieaanvragen behandelen omdat het systeem nu anders werkt.)

(De spreekster vraagt de persoon om het bestand nog vandaag te wijzigen en even bericht te geven.)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Der Leiter hat gesagt, dass ich die Mitteilung an die Abteilung ___ weitergeben soll.

(De leidinggevende heeft gezegd dat ik de mededeling aan de afdeling ___ moet doorgeven.)

2. Der Leiter hat gesagt: „___ Sie das System bitte dringend!“

(De leidinggevende heeft gezegd: „___ u het systeem alstublieft dringend!”)

3. Sie hat erklärt, dass sie das System ___ / ___.

(Ze heeft uitgelegd dat ze het systeem ___ / ___.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Discussievragen

Instructie: Beantwoord de vragen met het vocabulaire uit dit hoofdstuk.

Nuttige uitdrukkingen:

Ich bin zuständig für ... / Ich habe ihm/ihr gesagt, dass ... / Der Leiter/Die Leiterin hat erklärt, dass ...

  1. Sie arbeiten in einer Firma: Welche Abteilung ist bei Ihnen wofür zuständig und wer ist der Leiter oder die Leiterin?
    U werkt bij een bedrijf: welke afdeling is waarvoor verantwoordelijk en wie is de verantwoordelijke?

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Denken Sie an eine dringende Aufgabe: Was haben Sie einer Kollegin oder einem Kollegen gesagt und was hat die Person danach erledigt?
    Denk aan een dringende taak: wat zei u tegen een collega en wat deed die persoon daarna?

    __________________________________________________________________________________________________________

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Hallo Maria,

kannst du bitte morgen früh kurz helfen? Ich bin nicht im Büro und muss ein paar Sachen organisieren.

  • Bitte erklär dem neuen Kollegen Tim das Login im System.
  • Schick mir danach eine kurze Mitteilung, ob alles klappt.
  • Und: In welcher Abteilung ist Tim jetzt? Ich bin mir nicht sicher, wer dafür zuständig ist. Es ist etwas dringend.

Danke!
Julia (Teamleiterin)


Hallo Maria,

kun je morgen vroeg even kort helpen? Ik ben niet op kantoor en moet een paar dingen organiseren.

  • Leg alsjeblieft aan de nieuwe collega Tim uit hoe het inloggen in het systeem werkt.
  • Stuur me daarna een korte melding of alles gelukt is.
  • En: in welke afdeling zit Tim nu? Ik weet niet zeker wie daarvoor verantwoordelijk is. Het is vrij dringend.

Bedankt!
Julia (teamleider)


Nuttige zinnen:

  1. Ich kann das morgen früh übernehmen und ...

    (Ik kan dat morgenochtend overnemen en ...)

  2. Kannst du mir bitte noch sagen, ...?

    (Kun je me alsjeblieft nog zeggen ...?)

  3. Du hast gesagt, dass du nicht im Büro warst, deshalb ...

    (Je zei dat je niet op kantoor was, daarom ...)

Hallo Julia,

gerne. Ich kann Tim morgen um 9:00 Uhr das Login im System erklären. Danach schicke ich dir eine kurze Mitteilung, ob alles geklappt hat.

Weißt du, in welcher Abteilung Tim jetzt ist? Dann weiß ich auch, wer zuständig ist. Wenn ich ihn nicht erreiche, melde ich mich sofort bei dir.

Viele Grüße
Maria

Hallo Julia,

graag. Ik kan Tim morgenochtend om 9:00 uur uitleggen hoe hij kan inloggen in het systeem. Daarna stuur ik je een korte melding of alles gelukt is.

Weet je in welke afdeling Tim nu zit? Dan weet ik ook wie daarvoor verantwoordelijk is. Als ik hem niet bereik, laat ik het je meteen weten.

Groeten,
Maria