Wir verwenden das Futur I um über Handlungen in der Zukunft zu sprechen.

(We gebruiken de Futur I om over handelingen in de toekomst te spreken.)

1. Wat is Futur I precies?

  • Futur I = praten over de toekomst.
  • In het Duits gebruik je meestal: werden + infinitief.
  • Voorbeeld: Ich werde morgen arbeiten. – Ik zal morgen werken.
  • Let op: vaak gebruikt men ook gewoon de tegenwoordige tijd + tijdsbepaling (zoals in het Nederlands), maar hier oefen je bewust met Futur I.

2. De basisstructuur: één blik, één regel

Onthoud deze vorm:

  • Persoon + vervoegde vorm van „werden” + … + infinitief (hele werkwoord) aan het einde.
Persoon Vorm van werden Voorbeeld
ich werde Ich werde morgen länger arbeiten.
du wirst Du wirst später nach Hause kommen.
er/sie/es wird Er wird heute nicht mitfahren.
wir werden Wir werden nächste Woche eine Präsentation machen.
ihr werdet Ihr werdet bald besser Deutsch sprechen.
sie/Sie werden Sie werden die Ergebnisse morgen schicken.

3. Typische fout: twee „vervoegde” werkwoorden

Een veelgemaakte fout is dat beide werkwoorden worden vervoegd.

  • Ich werde kaufe die Tickets.
  • Goed: Ich werde die Tickets kaufen.

Check altijd:

  • werde / wirst / wird / werden / werdet = vervoegd.
  • Het andere werkwoord (kaufen, hören, sein, stehen, …) staat in de infinitief en gaat helemaal aan het einde.

4. Woordvolgorde in hoofdzinnen

Hoofdzin met Futur I heeft altijd dezelfde logica:

  1. Plaats 1: onderwerp of tijdsbepaling.
  2. Plaats 2: vervoegde vorm van werden.
  3. Midden: rest van de zin (tijd, plaats, object, enz.).
  4. Laatste plaats: infinitief.

Voorbeelden:

  • Ich werde morgen in Berlin sein.
  • Morgen werde ich die E-Mails schreiben.
  • Nächste Woche werden wir einen Kollegen besuchen.

5. Woordvolgorde in bijzinnen (met „dass”, „weil”, …)

In bijzinnen staat het werkwoord altijd aan het einde. Bij Futur I krijg je dáár een werkwoord-keten:

  • … dass / weil / wenn + onderwerp + … + werden + infinitief.

Voorbeelden:

  • Ich glaube, dass er morgen im Büro sein wird.
  • Wir hoffen, dass es am Wochenende nicht regnen wird.
  • Sie sagt, dass sie später anrufen wird.

Zelfcheck:

  • Staat werden helemaal vooraan in de werkwoord-keten?
  • Staat de infinitief echt als laatste woord in de bijzin?

6. Futur I met „sein” en „stehen” (en andere onregelmatige werkwoorden)

Belangrijk: het hoofdwerkwoord verandert niet in Futur I, ook niet als het onregelmatig is in de verleden tijd.

  • Präteritum: er war → Futur I: er wird sein
  • Präteritum: sie stand → Futur I: sie wird stehen
Duits Nederlands Structuur
Ich werde morgen im Homeoffice sein. Ik zal morgen thuiswerken / in het homeoffice zijn. werde + sein (infinitief)
Er wird den ganzen Tag im Laden stehen. Hij zal de hele dag in de winkel staan. wird + stehen (infinitief)

Let op bij scheidbare werkwoorden:

  • aufstehen → in Futur I blijft het samen achteraan staan.
  • Ich werde morgen um sechs Uhr aufstehen.

7. Wanneer Futur I, wanneer Präsens?

In het dagelijks Duits hoor je vaak:

  • Ich gehe morgen ins Konzert.

Dat betekent ook „ik ga morgen naar het concert”. Toch is Futur I nuttig:

  • bij plannen die je wilt benadrukken:
  • Wir werden morgen länger arbeiten.
  • bij verwachtingen / voorspellingen:
  • Es wird gleich regnen.
  • bij belofte / besluit:
  • Ich werde dir später eine E-Mail schicken.

8. Veelvoorkomende valkuilen (en snelle oplossingen)

  • Valkuil 1: „werden” achteraan zetten
    Morgen ich kaufe die Tickets werden.
    → Zet werden altijd op plaats 2: Morgen werde ich die Tickets kaufen.
  • Valkuil 2: infinitief niet aan het einde
    Wir werden heute Abend hören im Park ein Konzert.
    → Infinitief echt helemaal achteraan: Wir werden heute Abend im Park ein Konzert hören.
  • Valkuil 3: tweede werkwoord ook vervoegen
    Es wird nächste Woche regnet.
    → Tweede werkwoord altijd infinitief: Es wird nächste Woche regnen.

9. Mini-stappenplan: zo controleer je je eigen zin

  1. Zoek het onderwerp
    Wie doet iets? (ich, du, er, wir, …)
  2. Kies de juiste vorm van „werden”
    ich → werde, du → wirst, er/sie/es → wird, wir → werden, ihr → werdet, sie/Sie → werden.
  3. Zet „werden” op plaats 2
    Eventuele tijdsbepaling (morgen, nächste Woche) mag vooraan, maar werden blijft op plaats 2.
  4. Schrijf de rest van de zin
    Object, plaats, tijd, enz. (zoals in het Nederlands).
  5. Zet de infinitief helemaal aan het einde
    Controleer: staat het hele werkwoord (kaufen, sein, stehen, arbeiten, aufstehen, …) als laatste woord?

10. Wat kun je nu (zelfcheck)?

  • Ik kan de vormen van „werden” herkennen en juist gebruiken.
  • Ik weet dat het andere werkwoord in de infinitief staat en achteraan komt.
  • Ik kan zinnen in de tegenwoordige tijd zelf omzetten naar Futur I.
  • Ik herken en corrigeer typische fouten zoals *werde mache of *werde machen morgen.

Als je deze punten met „ja” kunt beantwoorden, ben je klaar om Futur I actief in gesprekken te gebruiken.

  1. We vormen de Futur I met een vervoegde vorm van „werden“ en de infinitief van een werkwoord.
stehen (staan)sein (zijn)
ich werde stehen (ik zal staan)ich werde sein (ik zal zijn)
du wirst stehen (jij zult staan)du wirst sein (jij zult zijn)
er/sie/es wird stehen (hij/zij/het zal staan)er wird sein (hij zal zijn)
wir werden stehen (wij zullen staan)wir werden sein (wij zullen zijn)
ihr werdet stehen (jullie zullen staan)ihr werdet sein (jullie zullen zijn)
sie/Sie werden stehen (zij/u zullen/zult staan)sie werden sein (zij zullen zijn)

Uitzonderingen!

  1. Onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd (Präteritum) veranderen niet in de Futur I.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ich ____ morgen online Tickets für das Konzert kaufen.

Ik ____ morgen online kaartjes voor het concert kopen.)

2. Du ____ beim Festival bestimmt viele Fans treffen.

Je ____ op het festival vast veel fans tegenkomen.)

3. Wir ____ vor der Oper nicht lange stehen.

We ____ niet lang voor de opera staan.)

4. Sie ____ heute Abend auf jeden Fall pünktlich sein.

Zij ____ vanavond zeker op tijd zijn.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de zin die het Futur I correct gebruikt.

1.
Fout: 'zal' staat verkeerd aan het einde in plaats van als vervoegd hulpwerkwoord vóór de infinitief.
Fout: dubbele finite werkwoordsvorm ('zal koop') in plaats van hulpwerkwoord + infinitief; de infinitief moet aan het einde staan.
2.
Fout: na 'werden' moet de infinitief ('hören') staan, niet een vervoegde vorm ('hoort').
Fout: 'werden' mag niet achter het hoofdwerkwoord staan; het hulpwerkwoord hoort in het eerste deel van de zin.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen in Futur I met „werden“ + infinitief (voorbeeld: Ich arbeite morgen. → Ich werde morgen arbeiten.).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Ich stehe morgen früh um sechs Uhr auf.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich werde morgen früh um sechs Uhr aufstehen.
    (Ich werde morgen früh um sechs Uhr aufstehen.)
  2. Du bist nächste Woche im Homeoffice.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Du wirst nächste Woche im Homeoffice sein.
    (Du wirst nächste Woche im Homeoffice sein.)
  3. Er steht heute den ganzen Tag im Laden.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Er wird heute den ganzen Tag im Laden stehen.
    (Er wird heute den ganzen Tag im Laden stehen.)
  4. Wir sind bald fertig mit dem Projekt.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wir werden bald mit dem Projekt fertig sein.
    (Wir werden bald mit dem Projekt fertig sein.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Plan samen de concertavond en neem concrete beslissingen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sie und ein Kollege besprechen, wie ihr nächstes Wochenende zum Konzert gehen werdet.
(Jij en een collega bespreken hoe jullie volgend weekend naar het concert gaan.)

Bespreek
  • Welches Konzert oder Festival werdet ihr besuchen und warum? (Welk concert of festival gaan jullie bezoeken en waarom?)
  • Wer wird den Eintritt bezahlen und wie viel wird er ungefähr kosten? (Wie betaalt de toegang en hoeveel zal dat ongeveer kosten?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Wir werden zum Konzert der Band ___ gehen. (We gaan naar het concert van de band ___.)
  • Der Eintritt wird ungefähr ___ Euro kosten. (De toegang kost ongeveer ___ euro.)
  • Ich werde vorne vor der Bühne stehen, du wirst lieber hinten stehen. (Ik sta vooraan bij het podium; jij staat liever achteraan.)

Gebruik in gesprek
  • ich werde … / wir werden … (ik zal … / wij zullen …)
  • du wirst … / ihr werdet … (jij zult … / jullie zullen …)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Louis Fernando Hess

Bachelor of Science - Interculturele Business Psychologie

Hamm-Lippstadt University of Applied Sciences

University_Logo

Duitsland


Laatst bijgewerkt:

donderdag, 05/03/2026 16:55