Relativsätze verbinden zwei Sätze mit der, die, das, z.B. „Der Polizist, der hilft" oder „Der Ausweis, den ich habe".

(Relativzinnen verbinden zwei Sätze mit der, die, das, z.B. „Der Polizist, der hilft" oder „Der Ausweis, den ich habe".)

Wat doet een Relativsatz (betrekkelijke bijzin)?

  • Een Relativsatz geeft extra informatie over een zelfstandig naamwoord.
  • In het Duits begint hij met der, die, das, den.
  • Voorbeeld:
    Das ist der Nachbar, der immer hilft.
    der verwijst naar der Nachbar en is het onderwerp in de bijzin.

Stap 1: Zoek eerst het referentiewoord

De vorm van het relatieve voornaamwoord hangt altijd af van twee dingen:

  1. Geslacht (maskulin, feminin, neutrum) van het woord ervoor.
  2. Functie in de bijzin (onderwerp = Nominativ, lijdend voorwerp = Akkusativ).

Stap voor stap:

  1. Zoek het woord waar de bijzin bij hoort.
    Voorbeeld: der Ausweis, die Frau, das Auto.
  2. Bepaal het geslacht van dat woord.
    der Ausweis = maskulin, die Frau = feminin, das Auto = neutrum.
  3. Bekijk de bijzin en vraag: is het relatieve woord daar onderwerp of lijdend voorwerp?

Stap 2: Nominativ of Akkusativ?

In deze les heb je alleen Nominativ en Akkusativ nodig.

  • Nominativ: het relatieve voornaamwoord is onderwerp in de bijzin.
  • Akkusativ: het relatieve voornaamwoord is lijdend voorwerp in de bijzin.
Maskulin Feminin Neutrum
Nominativ der die das
Akkusativ den die das

Belangrijke observatie: alleen maskulin verandert: der → den in de Akkusativ.
Feminin en neutrum blijven in Nominativ en Akkusativ hetzelfde.

Stap 3: Onderwerp of lijdend voorwerp herkennen

Zo kun je snel zien of je Nominativ of Akkusativ nodig hebt:

  • Stel de vraag Wer?/Was? (wie?/wat?) → meestal onderwerp → Nominativ.
  • Stel de vraag Wen?/Was? (wie?/wat? als object) → lijdend voorwerp → Akkusativ.

Voorbeeld 1 (Nominativ, onderwerp):

  • Das ist der Polizist, der mir gestern geholfen hat.
  • Vraag in de bijzin: Wer hat geholfen?der = onderwerp → Nominativ der.

Voorbeeld 2 (Akkusativ, lijdend voorwerp):

  • Ich suche den Ausweis, den ich gestern verloren habe.
  • Vraag in de bijzin: Was habe ich verloren?den Ausweis = lijdend voorwerp → Akkusativ den.

Stap 4: Typische combinaties – zo zie je het snel

Enkele veelvoorkomende patronen:

  • „Das ist …, der/die/das …“
    Heel vaak is de bijzin dan met Nominativ, omdat je iets of iemand identificeert.
    Voorbeeld: Das ist die Kollegin, die neu in der Firma ist.
  • „Ich suche …, den/die/das …“ of „Ich kenne …, den/die/das …“
    Heel vaak Akkusativ, want na suchen, kennen, sehen, treffen volgt een lijdend voorwerp.
    Voorbeeld: Ich kenne den Mann, den du meinst.

Stap 5: Let op deze typische fouten

  • Fout: geslacht negeren
    *Das ist der Polizist, das mir geholfen hat.*
    Polizist is maskulin → der nodig: … der mir geholfen hat.
  • Fout: altijd „der” gebruiken bij woorden met „der”
    *Ich suche den Ausweis, der ich verloren habe.*
    → In de bijzin is ich het onderwerp. den Ausweis is lijdend voorwerp → Akkusativ den:
    … den ich verloren habe.
  • Fout: „den” gebruiken bij feminin of neutrum
    *Das ist die Kreditkarte, den ich verloren habe.*
    Kreditkarte is feminin → blijft die, ook in de Akkusativ:
    … die ich verloren habe.

Woordvolgorde in de Relativsatz

  • De bijzin begint met het relatieve voornaamwoord: der / die / das / den.
  • Het werkwoord van de bijzin staat helemaal achteraan.

Schema:

… [relativpronomen] + overige informatie + [werkwoord aan het eind].

Voorbeelden:

  • Das ist die Frau, die im Büro arbeitet.
  • Ich suche das Formular, das du ausfüllen musst.

Korte zelfcheck: kan ik het juiste woord kiezen?

Beantwoord deze vragen stap voor stap, zonder naar de tabel te kijken:

  1. Wat is het referentiewoord?
    (der Mann, die Frau, das Formular, der Ausweis …)
  2. Wat is het geslacht in het Duits?
    (maskulin, feminin, neutrum)
  3. Is het relatieve woord in de bijzin onderwerp of lijdend voorwerp?
  4. Schrijf de zin en kies:
    der (mask. Nom.) / den (mask. Akk.) / die (fem. Nom.+Akk.) / das (neutr. Nom.+Akk.).

Als je bij elke zin deze vier stappen kunt doorlopen, begrijp je hoe de Relativsätze met der, die, das, den werken.

Wat moet je vooral onthouden?

  • Het relatieve voornaamwoord hoort inhoudelijk bij het woord ervoor (zelfde geslacht, enkelvoud/meervoud).
  • De naamval (Nominativ of Akkusativ) hangt af van de functie in de bijzin, niet van de hoofdzin.
  • Alleen maskulin verandert: der → den in de Akkusativ.
  • In de Relativsatz staat het werkwoord altijd achteraan.

Als dit duidelijk is, ben je klaar om de Relativsätze actief in gesprekken te gebruiken.

  1. Nominatief: het betrekkelijk voornaamwoord is het subject, z.B. „Der Nachbar, der hilft".
  2. Akkusatief: het betrekkelijk voornaamwoord is het object, z.B. „Der Hund, den ich habe".
Kasus (naamval)Maskulin (mannelijk)Feminin (vrouwelijk)Neutrum (onzijdig)
Nominativ (nominatief)Der Mann, der im Park joggt. (De man die in het park jogt.)Die Frau, die hier arbeitet. (De vrouw die hier werkt.)Das Auto, das schnell fährt. (De auto die snel rijdt.)
Akkusativ (akkusatief)Der Ball, den ich kaufe. (De bal die ik koop.)Die Frau, die ich sehe. (De vrouw die ik zie.)Das Buch, das ich lese. (Het boek dat ik lees.)

Uitzonderingen!

  1. De vrouwelijke en onzijdige vorm blijven in de nominatief en akkusatief hetzelfde. Alleen het mannelijke betrekkelijk voornaamwoord verandert!

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Der Mann, ___ meinen Geldbeutel gestohlen hat, ist sehr schnell weggelaufen.

De man, ___ mijn portemonnee heeft gestolen, is heel snel weggelopen.)

2. Die Aussage, ___ ich gestern bei der Polizei gemacht habe, war sehr anstrengend.

De verklaring, ___ ik gisteren bij de politie heb afgelegd, was erg vermoeiend.)

3. Das Ausweisdokument, ___ ich im Fundbüro abgeben muss, liegt noch im Hotel.

Het identiteitsbewijs, ___ ik bij het gevondenvoorwerpenloket moet afgeven, ligt nog in het hotel.)

4. Der Ausweis, ___ ich verloren habe, ist sehr wichtig für meinen Flug morgen.

Het paspoort, ___ ik verloren heb, is erg belangrijk voor mijn vlucht van morgen.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de zin met de correct gevormde betrekkelijke bijzin.

1.
Hier is het betrekkelijk voornaamwoord onderwerp; daarom moet in het Duits de nominatief „der” staan, niet de accusatief „den”.
„Polizist” is mannelijk; het betrekkelijk voornaamwoord moet mannelijk zijn: „der”, niet onzijdig „das”.
2.
„Ausweis” is mannelijk; onzijdig „das” is fout. Juist is mannelijk accusatief „den”.
„Der” zou nominatief zijn; hier is „ich” onderwerp en „den Ausweis” lijdend voorwerp → correct is accusatief „den”.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Verbind de zinnen tot één betrekkelijke bijzin en gebruik het juiste betrekkelijk voornaamwoord in nominatief of accusatief (der, die, das, den). Voorbeeld: Das ist der Mann. Der Mann wohnt neben mir. → Das ist der Mann, der neben mir wohnt.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Das ist der Kollege. Der Kollege arbeitet im Homeoffice.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Das ist der Kollege, der im Homeoffice arbeitet.
    (Das ist der Kollege, der im Homeoffice arbeitet.)
  2. Ich suche die Frau. Die Frau spricht mit dem Chef.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich suche die Frau, die mit dem Chef spricht.
    (Ich suche die Frau, die mit dem Chef spricht.)
  3. Hier ist das Formular. Du musst das Formular ausfüllen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hier ist das Formular, das du ausfüllen musst.
    (Hier ist das Formular, das du ausfüllen musst.)
  4. Kennst du den Mann? Ich treffe den Mann heute Abend.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Kennst du den Mann, den ich heute Abend treffe?
    (Kennst du den Mann, den ich heute Abend treffe?)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Speel een gesprek: toerist en medewerker van de ambassade of van de gevondenvoorwerpen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Im Urlaub verlieren Sie in Spanien Ihren Geldbeutel mit Ausweis.
(Op vakantie verliest u in Spanje uw portemonnee met identiteitsbewijs.)

Bespreek
  • Beschreiben Sie genau, was passiert ist und welche Dinge Sie verloren haben. (Beschrijf precies wat er gebeurd is en welke zaken u kwijt bent.)
  • Erklären Sie, wem Sie den Diebstahl oder Verlust melden und warum gerade dort? Verwenden Sie Relativsätze mit der/die/das/den (z. B. ‚Der Polizist, der hilft...‘). (Leg uit bij wie u de diefstal of het verlies meldt en waarom juist daar. Gebruik betrekkelijke zinnen met de/de/het/den (bijv. 'De politieagent die helpt...').)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Der Geldbeutel, den ich verloren habe, ist braun. (De portemonnee die ik verloren heb, is bruin.)
  • Der Ausweis, den ich brauche, ist im Portemonnaie. (Het identiteitsbewijs dat ik nodig heb, zit in de portemonnee.)
  • Die Botschaft, die mir hilft, ist in der Nähe des Hotels. (De ambassade die mij helpt, is vlakbij het hotel.)

Gebruik in gesprek
  • Der Gegenstand, den ich verloren habe, ist … (Het voorwerp dat ik verloren heb, is ...)
  • Die Person, die mir hilft, ist … (De persoon die mij helpt, is ...)
  • Die Stelle, an der ich den Verlust melde, ist … (De plaats waar ik het verlies meld, is ...)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Louis Fernando Hess

Bachelor of Science - Interculturele Business Psychologie

Hamm-Lippstadt University of Applied Sciences

University_Logo

Duitsland


Laatst bijgewerkt:

woensdag, 04/03/2026 23:04