Indirecte vraagzinnen met ob

Indirekte Fragesätze mit ob


Indirekte Fragen mit ob berichten Ja/Nein-Fragen wie: „Ich weiß nicht, ob...", „Er fragt, ob...".

(Indirecte vragen met ob geven ja/nee-vragen weer zoals: „Ich weiß nicht, ob...", „Er fragt, ob...".)

Wat is een indirecte ja/nee-vraag met ob?

Je gebruikt ob als je een ja/nee-vraag niet direct stelt, maar inbedt in een zin.

  • Direct: Ist der Wald steil?
  • Indirect: Ich weiß nicht, ob der Wald steil ist.

Denk aan Nederlands: of = ob.

De kernregel: ob maakt een bijzin → werkwoord naar het einde

  • Na ob krijg je een bijzin.
  • In een Duitse bijzin staat het vervoegde werkwoord (ist/geht/hast/kannst…) helemaal achteraan.
Directe vraag Indirecte vraag met ob
Kommt der Bus pünktlich? Sie möchte wissen, ob der Bus pünktlich kommt.
Hast du morgen Zeit? Er fragt, ob du morgen Zeit hast.

Geen inversie na ob (dit is de klassieke fout)

In een directe vraag staat vaak het werkwoord vooraan (inversie). Na ob doe je dat niet.

  • Goed: Er fragt, ob wir zum See gehen.
  • Fout: Er fragt, ob gehen wir zum See.

Vuistregel: na ob begin je rustig met het onderwerp (ich/du/wir/der Bus…) en je zet het werkwoord op het eind.

Vraagteken: meestal niet (maar soms wél)

  • Als de indirecte vraag een bijzin is achter een punt: geen vraagteken.
    Ich weiß nicht, ob der Wald steil ist.
  • Als je hele zin een vraag is: wel een vraagteken.
    Kannst du mir sagen, ob das Picknick stressig ist?

Stappenplan (omzetten van direct → indirect)

  1. Kies een startzin: Ich weiß nicht… / Er fragt… / Sie möchte wissen…
  2. Zet er een komma achter.
  3. Schrijf ob.
  4. Neem de rest van de vraag, maar: vervoegd werkwoord naar het einde.
Start ob-bijzin
Wir fragen, ob es in der Nähe einen Supermarkt gibt.
Ich möchte wissen, ob du mir bitte den Bericht schicken kannst.

Zelfcheck: klopt jouw woordvolgorde?

  • Staat ob direct na de komma?
  • Staat het vervoegde werkwoord echt helemaal op het einde van de ob-bijzin?
  • Heb je geen directe-vraag-volgorde gebruikt (geen gehen wir / ist der…)?

Mini-test: lees de ob-bijzin hardop. Hoor je het werkwoord pas op het eind? Dan zit je meestal goed.

  1. Hoofdzin + ob + werkwoord aan het einde
  2. Het onderwerp staat vóór het vervoegde werkwoord.
  3. Geen inversie na ob in de bijzin.
Direkte Frage (Directe vraag)Indirekte Frage (Indirecte vraag)
Ist der Wald steil? (Is het bos steil?)Ich weiß nicht, ob der Wald steil ist. (Ik weet niet of het bos steil is.)
Gehen wir zum See? (Gaan we naar het meer?)Er fragt, ob wir zum See gehen. (Hij vraagt of we naar het meer gaan.)
Ist das Picknick spaßig? (Is de picknick leuk?)Sie möchte wissen, ob das Picknick spaßig ist. (Zij wil weten of de picknick leuk is.)
Laufen wir zurück? (Lopen we terug?)Wir fragen, ob wir zurücklaufen. (Wij vragen of we teruglopen.)

Uitzonderingen!

  1. Bij een indirecte vraag staat het werkwoord aan het einde.
  2. Een vraagteken is niet nodig.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Ich weiß nicht, ___ der Wald steil ist.

Ik weet niet ___ het bos steil is.

2. Er fragt, ob wir zum See ___.

Hij vraagt of we naar het meer ___.

3. Kannst du mir sagen, ___ das Picknick stressig ist?

Kun je me zeggen ___ de picknick stressvol is?

4. Wir möchten wissen, ob wir später ___.

We willen weten of we later ___.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Vorm de directe ja/nee-vragen om in indirecte vragen met „of“ (werkwoord aan het einde, geen vraagteken). Voorbeeld: Kom je vandaag? → Ik wil weten of je vandaag komt.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (Ich weiß nicht,) Ist der Weg zum Bahnhof weit?
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ich weiß nicht, ob der Weg zum Bahnhof weit ist.
    (Ik weet niet of de weg naar het station ver is.)
  2. Hint Hint (Er fragt,) Hast du morgen Zeit für ein Gespräch?
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Er fragt, ob du morgen Zeit für ein Gespräch hast.
    (Hij vraagt of je morgen tijd hebt voor een gesprek.)
  3. Hint Hint (Sie möchte wissen,) Kommt der Bus pünktlich?
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Sie möchte wissen, ob der Bus pünktlich kommt.
    (Ze wil weten of de bus op tijd komt.)
  4. Hint Hint (Wir fragen,) Gibt es in der Nähe einen Supermarkt?
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Wir fragen, ob es in der Nähe einen Supermarkt gibt.
    (Wij vragen of er in de buurt een supermarkt is.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Louis Fernando Hess

Bachelor of Science - Interculturele Business Psychologie

Hamm-Lippstadt University of Applied Sciences

University_Logo

Duitsland


Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 01/05/2026 08:48