Wat te doen met pensioen?
Wat te doen met pensioen?

Wat te doen met pensioen?

Was machen im Ruhestand?


Zwei Rentner, zwei unterschiedliche Arten von Ruhestand.
Twee gepensioneerden, twee verschillende vormen van pensioen.

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.

Woord Vertaling
Die Altersteilzeit De deeltijdpensioenregeling
Der Rentner De gepensioneerde
Die Rente Het pensioen
Arbeiten Werken
Der Schlaganfall De beroerte
Entscheiden Beslissen
Die freie Zeit De vrije tijd
Das Büro Het kantoor
Jeden Morgen Elke ochtend
Die Woche De week
„Ich werde dieses Jahr einundsechzig und bin in Altersteilzeit.“ („Ik word dit jaar eenenzestig en ik zit in de deeltijdpensioenregeling.”)
„Ich bin neunundsechzig, Rentner, und arbeite trotzdem noch gern.“ („Ik ben negenenzestig, gepensioneerd, en ik werk toch nog graag.”)
Wolfgang Eich kann heute ruhig leben und machen, was er will. (Wolfgang Eich kan tegenwoordig rustig leven en doen wat hij wil.)
Nach einem Schlaganfall ging er früher in Rente. (Na een beroerte ging hij eerder met pensioen.)
Er wollte mehr Zeit für sein Leben haben. (Hij wilde meer tijd voor zijn leven hebben.)
Seine Frau hat danach entschieden, mehr zu arbeiten. (Zijn vrouw besloot daarna meer te gaan werken.)
„Die freie Zeitplanung ist sehr schön.“ („De vrijheid om je tijd zelf in te delen is heel fijn.”)
Vaclav Sourek arbeitet anders und geht jeden Morgen ins Büro. (Vaclav Sourek doet het anders en gaat elke ochtend naar kantoor.)
Er arbeitet acht Stunden am Tag, fünf Tage pro Woche. (Hij werkt acht uur per dag, vijf dagen per week.)

1. Warum ging Wolfgang Eich früher in Rente?

(Waarom ging Wolfgang Eich eerder met pensioen?)

2. Was macht Vaclav Sourek im Alltag?

(Wat doet Vaclav Sourek in het dagelijks leven?)

3. Was hat die Frau nach dem Ereignis entschieden?

(Wat heeft de vrouw na de gebeurtenis besloten?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Ein Angestellter spricht mit der HR-Beraterin über einen früheren Ruhestand

Een werknemer spreekt met de HR-adviseur over vervroegd pensioen
1. Wolfgang: Hallo, ich bin hier, um über die Möglichkeiten für einen früheren Ruhestand zu sprechen. (Hallo, ik ben hier om te praten over de mogelijkheden om eerder met pensioen te gaan.)
2. Hilde: Hallo Wolfgang, das ist aber schade zu hören. Du warst für die Firma immer ein sehr guter Mitarbeiter. (Hallo Wolfgang, dat is wel jammer om te horen. Je bent altijd een heel goede medewerker voor het bedrijf geweest.)
3. Wolfgang: Ich weiß, und das freut mich. Ich möchte jetzt aber mehr Zeit für meine Enkel haben. (Dat weet ik, en dat doet me goed. Maar ik wil nu meer tijd voor mijn kleinkinderen.)
4. Hilde: Das kann ich gut verstehen. Schauen wir uns die Möglichkeiten an. (Dat kan ik goed begrijpen. Laten we de mogelijkheden eens bekijken.)
5. Wolfgang: Danke für dein Verständnis. (Dank je voor je begrip.)
6. Hilde: Du bist jetzt 62. Wann genau möchtest du in Rente gehen? (Je bent nu 62. Wanneer wil je precies met pensioen gaan?)
7. Wolfgang: Am liebsten zum Ende des Jahres. (Het liefst aan het einde van het jaar.)
8. Hilde: Ich verstehe. Aber im April haben wir noch ein sehr wichtiges Firmenereignis. Möchtest du bis dahin noch bleiben? (Ik begrijp het. Maar in april hebben we nog een heel belangrijk bedrijfsevenement. Wil je tot die tijd nog blijven?)
9. Wolfgang: Okay, ich denke, im Mai ist es auch in Ordnung. Dann wäre ich 63 Jahre alt. (Oké, ik denk dat mei ook prima is. Dan zou ik 63 zijn.)
10. Hilde: Das hört sich gut an. Dann bekommst du auch mehr Rente. (Dat klinkt goed. Dan krijg je ook meer pensioen.)
11. Wolfgang: Perfekt. Danke für deine Hilfe. (Perfect. Dank je voor je hulp.)

1. Wann möchte Wolfgang letztlich in Rente gehen?

(Wanneer wil Wolfgang uiteindelijk met pensioen gaan?)

2. Warum schlägt Hilde vor, dass Wolfgang bis Mai bleibt?

(Waarom stelt Hilde voor dat Wolfgang tot mei blijft?)