A2.26 - transporte sostenible
Duurzaam vervoer
1. Inmersión lingüística
3. Gramática
4. Ejercicios
Ejercicio 1: Redacción de correspondencia
Instrucción: Escribe una respuesta al siguiente mensaje adecuada a la situación
Correo electrónico: Recibes un correo electrónico de tu departamento de Recursos Humanos sobre un nuevo plan para un transporte al trabajo más sostenible; responde con información sobre tu transporte diario y tu elección.
Beste collega,
Ons bedrijf wil duurzaam vervoer stimuleren. We denken aan extra fietsenstalling en een vergoeding voor openbaar vervoer.
Wil je ons vertellen hoe jij nu naar het werk reist? Geef ook aan of je in de toekomst vaker met de fiets, de trein of een elektrische auto wilt komen, en waarom.
Alvast bedankt voor je reactie.
Met vriendelijke groet,
Marieke Jansen
HR-afdeling
Estimado/a compañer@,
Nuestra empresa quiere fomentar el transporte sostenible. Estamos pensando en habilitar más aparcamiento para bicicletas y en ofrecer una compensación para el transporte público.
¿Puedes contarnos cómo vienes ahora al trabajo? Indica también si en el futuro preferirías venir más en bici, en tren o en un coche eléctrico, y por qué.
Gracias de antemano por tu respuesta.
Un saludo,
Marieke Jansen
Departamento de RR. HH.
Entiende el texto:
-
Wat wil het bedrijf doen om duurzaam vervoer te stimuleren?
(¿Qué quiere hacer la empresa para fomentar el transporte sostenible?)
-
Welke informatie vraagt Marieke precies over jouw manier van reizen naar het werk?
(¿Qué información pide exactamente Marieke sobre tu forma de desplazarte al trabajo?)
Frases útiles:
-
Ik reis nu meestal met ...
(Ahora normalmente viajo en ...)
-
In de toekomst wil ik liever ... omdat ...
(En el futuro preferiría ... porque ...)
-
Voor mij is duurzaam vervoer belangrijk/niet zo belangrijk, want ...
(Para mí el transporte sostenible es importante/no es tan importante, porque ...)
Dank je voor je e-mail. Ik reis nu elke dag met de auto naar het werk. De rit duurt ongeveer 30 minuten. Soms kom ik met de bus, maar dat duurt lang.
In de toekomst wil ik vaker met de trein en de fiets reizen. Het station is dicht bij mijn huis en bij het kantoor. Dat is handig en beter voor het milieu. Een goede fietsenstalling bij het werk zou voor mij heel fijn zijn.
Met vriendelijke groet,
[Je naam]
Estimada Marieke,
Gracias por tu correo. Ahora voy al trabajo en coche todos los días. El trayecto dura aproximadamente 30 minutos. A veces tomo el autobús, pero tarda más.
En el futuro me gustaría viajar más en tren y en bicicleta. La estación está cerca de mi casa y de la oficina. Eso es cómodo y mejor para el medio ambiente. Un buen aparcamiento para bicicletas en el trabajo me vendría muy bien.
Un saludo,
[Tu nombre]
Ejercicio 2: Opción múltiple
Instrucción: Elige la solución correcta
1. Vorige week ___ ik met een collega in zijn elektrische auto naar ons nieuwe, duurzame kantoor in de groene zone.
(La semana pasada ___ yo con un colega en su coche eléctrico hasta nuestra nueva oficina sostenible en la zona verde.)2. Gisteren ___ mijn vriendin niet met de auto, maar met de trein naar haar werk, omdat dat beter is voor het milieu.
(Ayer ___ mi amiga no fue en coche, sino en tren a su trabajo, porque eso es mejor para el medio ambiente.)3. Bij mijn vorige baan ___ ik meestal de fiets, maar bij slecht weer reed ik met het openbaar vervoer.
(En mi trabajo anterior ___ yo normalmente la bicicleta, pero cuando hacía mal tiempo viajaba en transporte público.)4. Toen ik naar een andere stad verhuisde, ___ mijn partner en ik samen voor een woning dicht bij een groot, modern treinstation.
(Cuando me mudé a otra ciudad, ___ mi pareja y yo elegimos juntos una vivienda cerca de una gran y moderna estación de tren.)Ejercicio 3: Tarjetas de diálogo
Instrucción: Selecciona una situación y practica la conversación con tu profesor o compañeros.
Collega vraagt advies over woon-werkverkeer
Collega Mark: Mostrar Ik wil duurzamer vervoer kiezen naar kantoor, maar ik twijfel tussen de trein en de elektrische auto.
(Quiero escoger un transporte más sostenible para ir a la oficina, pero dudo entre el tren y el coche eléctrico.)
Jij: Mostrar Ik reis elke dag met het openbaar vervoer, ik neem de trein en dan nog een korte rit met de fiets.
(Viajo cada día en transporte público: cojo el tren y después hago un breve trayecto en bicicleta.)
Collega Mark: Mostrar Is met de trein reizen echt zo makkelijk hier in Utrecht?
(¿Es realmente tan fácil viajar en tren aquí en Utrecht?)
Jij: Mostrar Ja, het is snel en beter voor het milieu, het is nu mijn favoriete manier van reizen.
(Sí, es rápido y mejor para el medio ambiente; ahora es mi forma favorita de viajar.)
Preguntas abiertas:
1. Hoe ga jij nu meestal naar je werk, en waarom?
¿Cómo sueles ir tú al trabajo ahora y por qué?
2. Zou jij liever met het openbaar vervoer of met de fiets reizen? Leg uit.
¿Preferirías viajar en transporte público o en bicicleta? Explica.
Weekendbezoek plannen in de groene zone
Vriendin Sara: Mostrar Als je dit weekend komt, let op: mijn buurt is een groene zone, dus je kunt beter niet met de auto komen.
(Si vienes este fin de semana, ten en cuenta que mi barrio es una zona verde, así que es mejor que no vengas en coche.)
Jij: Mostrar Oké, dan kies ik voor het openbaar vervoer, ik kan met de trein naar Amsterdam reizen en dan lopen.
(Vale, entonces elegiré el transporte público; puedo ir en tren a Ámsterdam y luego caminar.)
Vriendin Sara: Mostrar Goed idee, dat is duurzamer en de rit met de trein is maar dertig minuten.
(Buena idea: es más sostenible y el trayecto en tren dura solo treinta minutos.)
Jij: Mostrar Top, dat past ook beter bij het milieu dan met de auto in de stad rijden.
(Perfecto, eso también es mejor para el medio ambiente que conducir por la ciudad.)
Preguntas abiertas:
1. Welk vervoer kies jij meestal als je in de stad bent, en waarom?
¿Qué medio de transporte eliges normalmente cuando estás en la ciudad y por qué?
2. Wat vind jij belangrijker: snel reizen of duurzaam reizen? Leg uit.
¿Qué te parece más importante: viajar rápido o hacerlo de forma sostenible? Explica.
Ejercicio 4: Responde a la situación
Instrucción: Practica en parejas o con tu profesor.
1. Je nieuwe collega vraagt in de lunchpauze: "Hoe kom jij elke dag naar het werk?" Leg uit hoe je reist en waarom. (Gebruik: het openbaar vervoer, de rit, ik vind het handig)
(Tu nuevo compañero pregunta en la hora de la comida: "¿Cómo vas al trabajo cada día?" Explica cómo viajas y por qué. (Usa: het openbaar vervoer, de rit, ik vind het handig))Ik neem meestal
(Normalmente tomo ...)Ejemplo:
Ik neem meestal het openbaar vervoer naar mijn werk, de rit is rustig en ik vind het handig om in de trein een beetje te lezen.
(Normalmente tomo het openbaar vervoer para ir al trabajo; el trayecto es tranquilo y me parece práctico leer un poco en el tren.)2. Je partner wil met de auto naar de stad, maar jij wilt liever duurzaam reizen. Leg rustig uit wat jij liever doet. (Gebruik: duurzaam, de elektrische auto, met de trein reizen)
(Tu pareja quiere ir en coche al centro, pero tú prefieres viajar de forma sostenible. Explica con tranquilidad lo que prefieres. (Usa: duurzaam, de elektrische auto, met de trein reizen))Ik wil liever
(Yo prefiero ...)Ejemplo:
Ik wil liever duurzaam reizen. Ik ga liever met de trein reizen naar de stad, of we nemen de elektrische auto als dat kan.
(Yo prefiero viajar de forma sostenible. Prefiero ir en tren al centro, o, si es posible, usamos el coche eléctrico.)3. Je moet een dienstreis maken naar Amsterdam. Je manager vraagt: "Hoe ga je daarheen?" Vertel wat je kiest en waarom. (Gebruik: kiezen, met de trein reizen, het milieu)
(Tienes que hacer un viaje de trabajo a Ámsterdam. Tu jefe pregunta: "¿Cómo vas a ir allí?" Di lo que eliges y por qué. (Usa: kiezen, met de trein reizen, het milieu))Voor deze reis kies ik
(Para este viaje elijo ...)Ejemplo:
Voor deze reis kies ik de trein, want met de trein reizen is snel en beter voor het milieu dan met de auto.
(Para este viaje elijo el tren, porque met de trein reizen es rápido y mejor para het milieu que ir en coche.)4. Je woont in een groene zone in de stad. Een vriend komt met de auto op bezoek en vraagt of hij bij jou kan parkeren. Leg uit wat kan en wat niet. (Gebruik: de groene zone, de fietser, het openbaar vervoer)
(Vives en una zona verde de la ciudad. Un amigo viene en coche de visita y pregunta si puede aparcar en tu calle. Explica qué se puede y qué no. (Usa: de groene zone, de fietser, het openbaar vervoer))In onze groene zone
(En nuestra zona verde ...)Ejemplo:
In onze groene zone mag je bijna niet met de auto parkeren. Het is vooral voor de fietser en het openbaar vervoer, dus misschien kun je de auto buiten de wijk zetten en het laatste stuk lopen of fietsen.
(En nuestra zona verde casi no se puede aparcar con coche. Está pensada sobre todo para de fietser y het openbaar vervoer, así que quizá puedas dejar el coche fuera del barrio y hacer el último tramo a pie o en bici.)Ejercicio 5: Ejercicio de escritura
Instrucción: Escribe 5 o 6 frases sobre cómo sueles ir al trabajo o a los estudios y qué formas de transporte sostenibles puedes elegir en tu vida diaria.
Expresiones útiles:
Ik ga meestal met ... naar mijn werk, omdat ... / Ik kies liever voor ..., want ... / In mijn stad is het makkelijk/moeilijk om met het openbaar vervoer te reizen. / Een voordeel/nadeel van de fiets is dat ...
Oefening 6: Ejercicio de conversación
Instructie:
- Beschrijf de voor- en nadelen van elk vervoermiddel op de foto’s. (Describe las ventajas y desventajas de cada medio de transporte en las imágenes.)
- Gebruik je vaak het openbaar vervoer? (¿Usas frecuentemente el transporte público?)
Pautas docentes +/- 10 minutos
Instrucciones didácticas
- Lee las frases de ejemplo en voz alta.
- Responde a las preguntas sobre la imagen.
- Los estudiantes también pueden preparar este ejercicio como un texto escrito para la próxima clase.
Frases de ejemplo:
|
Ik gebruik de fiets om naar mijn werk te gaan, maar om boodschappen te doen gebruik ik een auto. Uso la bici para ir al trabajo, pero para ir de compras uso el coche. |
|
Ik ga overal met de auto naartoe omdat het openbaar vervoer te lang duurt. Voy en coche a todas partes porque el transporte público tarda demasiado. |
|
Ik neem de fiets omdat er veel fietspaden in mijn stad zijn. Cojo la bicicleta porque hay muchos carriles bici en mi ciudad. |
|
Ik neem altijd de metro. Het is de snelste manier voor mij. Siempre tomo el metro. Es la manera más rápida para mí. |
|
Ik vind elektrische auto's erg goed omdat ze duurzaam zijn. Creo que los coches eléctricos son muy buenos porque son sostenibles. |
|
Ik heb geen elektrische auto omdat ze erg duur zijn. No tengo un coche eléctrico porque son muy caros. |
| ... |