B1.18 - Anatomy
B1.18 - Anatomy

B1.18 - Anatomy - Vocabulary

anatomie


Vocabulary (21)

Het bloed Show

The blood Show

Het bot Show

The bone Show

Het hart Show

The heart Show

De hersenen Show

The brain Show

De long Show

The lung Show

De spier Show

The muscle Show

De ziekte Show

The disease Show

De temperatuur meten Show

To measure the temperature Show

De bloeddruk meten Show

To measure the blood pressure Show

Iemand onderzoeken Show

To examine someone Show

Diep in- en uitademen Show

To breathe in and out deeply Show

Zich laten vaccineren Show

To get vaccinated Show

Zich herstellen van Show

To recover from Show

Pijn ervaren in Show

To feel pain in Show

Gevoelig zijn Show

To be sensitive Show

Schelen aan Show

To be wrong with / to be the matter with Show

Lijden aan Show

To suffer from Show

Mankeren aan Show

To be lacking in / to have something wrong with Show

Sterven aan Show

To die of Show

Verlossen van Show

To relieve of / to free from Show

Wennen aan Show

To get used to Show

Lijden aan (to suffer from)

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


(ik) heb geleden aan
(jij/je) hebt geleden aan
(hij/zij/ze/het) heeft geleden aan
(wij/we) hebben geleden aan
(jullie) hebben geleden aan
(zij/ze) hebben geleden aan

Zich laten vaccineren (to get vaccinated)

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


(ik) heb me laten vaccineren
(jij/je) hebt je laten vaccineren
(hij/zij/ze/het) heeft zich laten vaccineren
(wij/we) hebben ons laten vaccineren
(jullie) hebben je laten vaccineren
(zij/ze) hebben zich laten vaccineren