Bij onregelmatige voltooid deelwoorden veranderen de stam, zoals gebracht, gedacht, gezocht.
(Nei participi passati irregolari cambia la radice del verbo, come in
- La radice del verbo può cambiare molto nei verbi irregolari.
| Infinitief (Infinito) | Voltooid deelwoord (Participio passato) |
|---|---|
| brengen (portare) | gebracht (portato) |
| denken (pensare) | gedacht (pensato) |
| kopen (comprare) | gekocht (comprato) |
| zoeken (cercare) | gezocht (cercato) |
| hebben (avere) | gehad (avuto) |
| doen (fare) | gedaan (fatto) |
| gaan (andare) | gegaan (andato) |
| zijn (essere) | geweest (stato) |
| moeten (dovere) | gemoeten (dovuto) |
| zitten (stare seduto) | gezeten (stato seduto) |
Eccezioni!
- Questi sono verbi irregolari molto comuni, ma ce ne sono molti altri.
Esercizio 1: Scelta multipla
Istruzione: Scegli la risposta corretta
1. Ik heb uw paspoort niet in het systeem gevonden, dus ik heb extra lang _____.
Non ho trovato il suo passaporto nel sistema, quindi ho cercato a lungo _____.)2. Ik ben direct naar het politiebureau _____ en heb daar aangifte gedaan.
Sono andato direttamente alla stazione di polizia _____ e ho sporto denuncia lì.)3. Ik heb al met de ambassade gebeld en ik heb alle formulieren ingevuld die zij _____ gevraagd.
Ho già chiamato l'ambasciata e ho compilato tutti i moduli che hanno _____ richiesto.)4. We hebben alles _____ wat we konden en we hebben contact gelegd met de politie in Nederland.
Abbiamo fatto tutto _____ ciò che potevamo e abbiamo preso contatti con la polizia nei Paesi Bassi.)Esercizio 2: Scelta multipla
Istruzione: Scegli la frase corretta con il participio passato irregolare appropriato nel contesto di disastri durante le vacanze, rapporti della polizia o aiuti di emergenza.
Esercizio 3: Riscrivi le frasi
Istruzione: Riscrivi le frasi al passato prossimo con il participio passato irregolare corretto (avere/essere + participio passato).
-
Ik breng de kinderen naar school.⇒ _______________________________________________ ExampleIk heb de kinderen naar school gebracht.(Ik heb de kinderen naar school gebracht.)
-
Wij denken veel aan onze familie in het buitenland.⇒ _______________________________________________ ExampleWij hebben veel aan onze familie in het buitenland gedacht.(Wij hebben veel aan onze familie in het buitenland gedacht.)
-
Mijn collega koopt een nieuwe laptop voor zijn werk.⇒ _______________________________________________ ExampleMijn collega heeft een nieuwe laptop voor zijn werk gekocht.(Mijn collega heeft een nieuwe laptop voor zijn werk gekocht.)
-
Gisteren ga ik met mijn buurvrouw naar de markt.⇒ _______________________________________________ ExampleGisteren ben ik met mijn buurvrouw naar de markt gegaan.(Gisteren ben ik met mijn buurvrouw naar de markt gegaan.)
Esercizio 4: La grammatica in azione
Istruzione: Discute con un partner cosa è successo esattamente e cosa hai già fatto.
- Wat is er precies gebeurd tijdens je vakantie? Vertel in de verleden tijd. (Cosa è successo esattamente durante le tue vacanze? Raccontalo al passato.)
- Bij wie heb je hulp gevraagd (politie, ambassade, reisverzekering)? Wat hebben zij gedaan? (A chi hai chiesto aiuto (polizia, ambasciata, assicurazione di viaggio)? Cosa hanno fatto per aiutarti?)
- Ik ben naar de ambassade geweest. (Sono stato all'ambasciata.)
- Ik heb de politie gebeld en aangifte gedaan. (Ho chiamato la polizia e ho sporto denuncia.)
- Mijn tas is gestolen; ik heb overal gezocht. (La mia borsa è stata rubata; ho cercato ovunque.)
- Ik heb mijn paspoort/portemonnee kwijtgeraakt en gezocht. (Ho perso il mio passaporto/portafoglio e l'ho cercato.)
- Ik ben naar het politiebureau/de ambassade geweest. (Sono andato al commissariato/alla ambasciata.)
- Ik heb om hulp gevraagd en hulp gekregen/gekregen niet. (Ho chiesto aiuto e l'ho ricevuto/ non l'ho ricevuto.)