A1.30 - Ziekte en pijn
A1.30 - Ziekte en pijn

A1.30 - Ziekte en pijn - Oefeningen

Choroba i ból


Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Dzień dobry, mam gorączkę i kaszlę od wczoraj. (Goedemorgen, ik heb koorts en ik hoest sinds gisteren.)
Muszę dziś zadzwonić do lekarza rodzinnego. (Ik moet vandaag naar de huisarts bellen.)
Boli mnie gardło i mam katar. (Mijn keel doet pijn en ik heb een verstopte neus.)
Jestem chory, to chyba przeziębienie. (Ik ben ziek, het is waarschijnlijk een verkoudheid.)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Przychodnia: kiedy zadzwonić i co powiedzieć

Vul de lege plekken in: kaszel, gorączkę, objawy, lekarzowi, chory, zadzwonić, chorujesz, kaszlesz

(Huisartsenpraktijk: wanneer bellen en wat zeggen)

Przychodnia „Zdrowie” – informacja dla pacjentów. Jeśli jesteś i masz : katar, , ból głowy lub ból gardła, możesz i umówić wizytę. Gdy masz , zostań w domu i zadzwoń do przychodni. Lekarz może też poprosić o krótką informację: od kiedy i co dokładnie boli.

Na wizycie powiedz prosto: „Boli mnie głowa”, „Mam ból brzucha” albo „Mam gorączkę”. To pomaga ocenić, czy to przeziębienie czy grypa. Jeśli , powiedz, czy kaszel jest suchy. Pij dużo wody i odpoczywaj. Jeśli czujesz się bardzo słabo, dzwoń od razu. Wracaj do zdrowia!
Huisartsenpraktijk „Gezondheid” – informatie voor patiënten. Als je ziek bent en klachten hebt: loopneus, hoest, hoofdpijn of keelpijn, kun je bellen en een afspraak maken. Als je koorts hebt, blijf thuis en bel de praktijk. De arts kan ook om korte informatie vragen: sinds wanneer je ziek bent en wat precies pijn doet.

Bij het consult zeg je eenvoudig: „Ik heb hoofdpijn”, „Ik heb buikpijn” of „Ik heb koorts”. Dat helpt de arts te bepalen of het een verkoudheid of griep is. Als je hoest, vertel of de hoest droog is. Drink veel water en rust uit. Als je je erg zwak voelt, bel dan meteen. Beterschap!

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Dzień dobry, tu Anna Nowak. Od rana mam gorączkę i ból gardła, kaszlę i mam katar. Czy mogę dziś umówić wizytę u lekarza po południu?

Dlaczego kobieta dzwoni do przychodni?

(Waarom belt de vrouw naar de huisartsenpraktijk?)
2. Cześć, tu Marek. Jestem chory, boli mnie brzuch i nie czuję się dobrze. Dziś nie przyjdę do pracy, idę do lekarza.

Co Marek mówi o pracy?

(Wat zegt Marek over het werk?)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Dzień dobry, ___ od trzech dni i mam gorączkę.

(Goedendag, ___ al drie dagen ziek en ik heb koorts.)

2. Pani doktor, ___ w nocy i mam katar.

(Mevrouw dokter, ___ 's nachts en ik heb een loopneus.)

3. Mój kolega z biura ___ i dziś nie przyszedł do pracy.

(Mijn collega van kantoor ___ en is vandaag niet op het werk gekomen.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Jesteś w przychodni. Lekarz pyta: „Co panu/pani jest?” Odpowiedz krótko i powiedz, jakie masz objawy. (Użyj: przeziębienie, katar, kaszel)

(Je bent in de kliniek. De dokter vraagt: „Wat mankeert u?” Geef een kort antwoord en zeg welke klachten je hebt. (Gebruik: verkoudheid, loopneus, hoest))

Mam objawy:    

(Ik heb de volgende klachten: ...)

Voorbeeld:

Mam objawy: katar i kaszel. Myślę, że to przeziębienie.

(Ik heb de volgende klachten: loopneus en hoest. Ik denk dat het een verkoudheid is.)

2. Jesteś u lekarza. Lekarz pyta, gdzie boli. Powiedz, co boli i jak bardzo. (Użyj: boli mnie…, ból głowy, ból gardła)

(Je bent bij de dokter. De dokter vraagt waar het pijn doet. Zeg wat pijn doet en hoe erg het is. (Gebruik: het doet pijn..., hoofdpijn, keelpijn))

Boli mnie    

(Het doet pijn aan ...)

Voorbeeld:

Boli mnie gardło i mam ból głowy. Jest to trochę silne.

(Het doet pijn aan mijn keel en ik heb hoofdpijn. Het is vrij hevig.)

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Cześć! Tu Marta z biura.

O 10:30 mamy krótkie spotkanie z zespołem. Czy będziesz dziś w pracy? Wczoraj mówiłeś/mówiłaś, że źle się czujesz.

Jeśli jesteś chory/chora, daj znać, co Ci jest (np. gorączka, kaszel, katar) i czy chcesz zadzwonić na 5 minut.


Hoi, met Marta van kantoor.

Om 10:30 hebben we een korte teamvergadering. Ben je vandaag op kantoor? Gisteren zei je dat je je niet goed voelde.

Als je ziek bent, laat dan weten wat er met je is (bijv. koorts, hoest, loopneus) en of je 5 minuten kunt bellen.


Nuttige zinnen:

  1. Dziś nie przyjdę do pracy, bo jestem chory/chora.

    (Ik kom vandaag niet naar het werk, want ik ben ziek.)

  2. Mam gorączkę i kaszel / Mam katar i ból głowy.

    (Ik heb koorts en hoest / Ik heb een loopneus en hoofdpijn.)

  3. Mogę zadzwonić o … / Nie mogę dziś mówić, ale jutro mogę.

    (Ik kan om ... bellen / Ik kan vandaag niet praten, maar morgen wel.)

Cześć Marto, dziś nie przyjdę do pracy, bo jestem chory. Mam gorączkę i boli mnie gardło. Czuję się słabo. Mogę zadzwonić o 10:30 na 5 minut. Jutro dam znać, czy będę w biurze.

Hoi Marta, ik kom vandaag niet naar het werk omdat ik ziek ben. Ik heb koorts en mijn keel doet pijn. Ik voel me zwak. Ik kan om 10:30 vijf minuten bellen. Morgen laat ik weten of ik op kantoor ben.