Oefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 2: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Kalendarz firmowy: urlopy i pogoda w ciągu roku
Vul de lege plekken in: zima, wiosna, lato, czekasz na, będzie, wolisz, jesień
(Bedrijfsagenda: vakanties en het weer door het jaar heen)
Dział HR przypomina o planowaniu urlopów. W Polsce są cztery pory roku: , , i . Wiosna obejmuje marzec, kwiecień i maj. Lato to czerwiec, lipiec i sierpień. Jesień to wrzesień, październik i listopad. Zima to grudzień, styczeń i luty.
Przy planowaniu prosimy sprawdzić pogodę. W marcu często pada deszcz, a w lipcu bywa gorąco. W listopadzie jest chłodno, a w styczniu bywa śnieg. W przyszłym miesiącu aktualizacja grafiku. Jeśli decyzję o urlopie, napisz krótki e‑mail. Jeśli urlop latem, zgłoś to wcześniej.De HR-afdeling herinnert aan het plannen van vakanties. In Polen zijn er vier seizoenen: lente, zomer, herfst en winter. De lente omvat maart, april en mei. De zomer is juni, juli en augustus. De herfst is september, oktober en november. De winter is december, januari en februari.
Bij het plannen vragen we je het weer te controleren. In maart regent het vaak, en in juli kan het warm zijn. In november is het koel, en in januari kan er sneeuw liggen. Volgende maand verschijnt er een update van het rooster. Als je wacht op een beslissing over je vakantie, schrijf dan een korte e-mail. Als je voorkeur uitgaat naar een zomervakantie, geef dat dan op tijd door.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Jaką pogodę Ania zapowiada na weekend?
Kiedy mężczyzna ma urlop?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. W lipcu ___ bardzo ciepło, więc chcę jechać nad morze.
(In juli ___ het erg warm, dus ik wil naar de zee gaan.)2. W marcu często ___ na autobus w deszczu.
(In maart wacht ik vaak ___ in de regen op de bus.)3. W grudniu ___ zostać w domu, bo szybko robi się ciemno.
(In december ___ ik liever thuis, omdat het snel donker wordt.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. W pracy planujecie krótkie spotkanie zespołu. Kolega pyta: „Kiedy robimy spotkanie?” Odpowiedz i zaproponuj miesiąc. (Użyj: marzec / kwiecień / spotkanie jest)
(Op het werk plannen jullie een korte teamvergadering. Een collega vraagt: „Wanneer houden we de vergadering?” Beantwoord en stel een maand voor. (Gebruik: marzec / kwiecień / spotkanie jest))Spotkanie jest w
(De vergadering is in ...)Voorbeeld:
Spotkanie jest w marcu, w środę rano.
(De vergadering is in maart, op woensdagochtend.)2. Rozmawiasz z sąsiadką w windzie. Ona pyta, jaka jest pogoda teraz. Odpowiedz krótko i powiedz, jaka jest pora roku. (Użyj: wiosna / jest ciepło / jest zimno)
(Je praat met de buurvrouw in de lift. Ze vraagt hoe het weer nu is. Antwoord kort en zeg welk seizoen het is. (Gebruik: wiosna / jest ciepło / jest zimno))Teraz jest
(Nu is het ...)Voorbeeld:
Teraz jest wiosna. Jest dość ciepło.
(Nu is het lente. Het is redelijk warm.)Oefening 7: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf een korte e-mail aan HR (3 of 5 zinnen): geef aan in welke maanden je vakantie wilt en hoe het weer dan doorgaans zal zijn.
Nuttige uitdrukkingen:
Chcę urlop w… / W tych miesiącach będzie… / Wolę urlop latem/zimą. / Czekam na decyzję o urlopie.