Ćwiczenie: Gespreksoefening
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
- Podaj nazwę sportu i powiedz, czy uprawiasz go zespołowo (lub w parze), czy samodzielnie. (Noem de sport en zeg of je het in teamverband (of als duo) of alleen doet.)
- Uprawiasz sport? Jak często? (Doe je aan sport? Hoe vaak?)
- Czy lubisz oglądać sport? (Hou je van sport kijken?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Oefening: Schrijfopdracht (AI+)
Instructie: Schrijf een kort bericht (ongeveer 3 à 4 zinnen) naar een collega van je: welke sporten beoefen je of wil je beoefenen en wanneer je naar de training wilt gaan. (AI+)
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Nuttige uitdrukkingen:
Zawsze… / Czasami… / Nigdy… / Chcę uprawiać… / W tygodniu mogę… / W sobotę rano mogę…