Wijsende voornaamwoorden: ten, ta, to...

Zaimki wskazujące: ten, ta, to...


Zaimki wskazujące to słowa używane do wskazywania konkretnych osób, rzeczy lub miejsc, określające ich odległość od mówiącego.

(Aanwijzende voornaamwoorden zijn woorden die worden gebruikt om naar specifieke personen, dingen of plaatsen te verwijzen en die aangeven hoe ver ze van de spreker zijn.)

Wat druk je uit met ten/ta/to en tamten/tamta/tamto?

  • ten / ta / to = “deze / dit” → iets of iemand dichtbij (of “in onze context / waar we nu over praten”).
  • tamten / tamta / tamto = “die / dat (daar)” → verder weg of duidelijk “niet hier”.

Tip: Pools gebruikt dit heel vaak, ook waar je in het Nederlands gewoon “de/het” zou zeggen. Het klinkt daardoor natuurlijker als je wél een aanwijzer gebruikt.

Stap 1: kies de afstand (dichtbij vs. verder weg)

Situatie Poolse keuze Nederlandse gedachte
Je wijst naar iemand naast je / op je scherm ten/ta/to “deze/dit hier”
Je wijst naar iemand aan de overkant / in de verte tamten/tamta/tamto “die/dat daar”

Stap 2: kies het grammaticale geslacht (m/v/o)

In het Pools moet de aanwijzer passen bij het geslacht van het zelfstandig naamwoord.

  • R. męski (mannelijk): ten pan, tamten autobus
  • R. żeński (vrouwelijk): ta kobieta, tamta kawa
  • R. nijaki (onzijdig): to dziecko, tamto biuro

Let op: to betekent hier “dit” (onzijdig), niet automatisch “het/dit is…”. De betekenis hangt af van de zin.

Stap 3: enkelvoud of meervoud

Afstand Meervoud Wanneer gebruik je het?
Dichtbij ci (mannelijk persoon) / te (overig) ci panowie; te kobiety/klucze/biura
Verder weg tamci (mannelijk persoon) / tamte (overig) tamci koledzy; tamte dokumenty

De valkuil die Nederlanders vaak hebben: ci vs te

  • ci gebruik je vooral voor een groep mannen of gemengde groep met minstens één man: Ci koledzy, Ci panowie.
  • te gebruik je voor:
    • een groep vrouwen: Te kobiety
    • of dingen (ongeacht geslacht): Te klucze, Te biura

Snelle check: gaat het over mensen die “zij (mannen)” zijn? → vaak ci. Anders → meestal te.

Mini-modelzinnen (klaar om na te zeggen)

  • Ten pan jest zdenerwowany. (Deze meneer is nerveus.)
  • Ta kobieta się uśmiecha. (Deze vrouw glimlacht.)
  • To dziecko płacze. (Dit kind huilt.)
  • Ci panowie są zaskoczeni. (Deze heren zijn verrast.)
  • Tamten autobus jest mój. (Die bus daar is van mij.)
  • Tamte klucze są moje. (Die sleutels daar zijn van mij.)

Zelfcheck in 10 seconden

  1. Is het dichtbij of verder weg? → ten/ta/to of tamten/tamta/tamto
  2. Is het mannelijk / vrouwelijk / onzijdig? → ten / ta / to
  3. Is het meervoud?
    • mannen/mix → ci / tamci
    • vrouwen of dingen → te / tamte

Als je dit kunt afvinken, zit je keuze bijna altijd goed.

  1. Ten, ta, to, ci, te wijzen op iets dichtbij.
  2. Tamtem, tamta, tamto, tamci, tamte wijzen op iets verder weg.
Odległość (Afstand)Liczba (Aantal)R. męski (Mannelijk)R. żeński (Vrouwelijk)R. nijaki (Onzijdig)
blisko (dichtbij)pojedyncza (enkelvoud)ten (deze)ta (deze)to (dit)
blisko (dichtbij)mnoga (meervoud)ci (deze)te (deze)te (deze)
dalej (verder weg)pojedyncza (enkelvoud)tamten (die)tamta (die)tamto (dat)
dalej (verder weg)mnoga (meervoud)tamci (die)tamte (die)

 

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. ___ pan jest zdenerwowany, bo spóźnia się na spotkanie.

___ meneer is geërgerd, omdat hij te laat komt voor een afspraak.

2. ___ kobieta się uśmiecha, bo jest szczęśliwa.

___ vrouw lacht, omdat ze gelukkig is.

3. ___ dziecko płacze, bo jest smutne.

___ kind huilt, omdat het verdrietig is.

4. ___ panowie są zaskoczeni, bo to nowa informacja.

___ heren zijn verrast, omdat het nieuwe informatie is.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Przekształć zdania, zastępując wskazujące zaimki według odległości i rodzaju: blisko → ten/ta/to/ci/te; dalej → tamten/tamta/tamto/tamci/tamte (przykład: „To jest książka.” → „Ta książka jest moja.”).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. To jest mój długopis. (blisko, r. męski)
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ten długopis jest mój.
    (Ten długopis jest mój.)
  2. To jest moja kawa. (blisko, r. żeński)
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ta kawa jest moja.
    (Ta kawa jest moja.)
  3. To jest moje biuro. (blisko, r. nijaki)
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    To biuro jest moje.
    (To biuro jest moje.)
  4. To są moi koledzy. (blisko, liczba mnoga, r. męski osobowy)
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ci koledzy są moi.
    (Ci koledzy są moi.)
  5. To są moje klucze. (dalej, liczba mnoga)
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Tamte klucze są moje.
    (Tamte klucze są moje.)
  6. To jest mój autobus. (dalej, r. męski)
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Tamten autobus jest mój.
    (Tamten autobus jest mój.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: In de paragrafen geeft u personen aan en beschrijft u hun gevoelens en redenen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
W biurze po spotkaniu opisujecie emocje kolegów i klientów zdalnie.
(Op kantoor, na een vergadering, beschrijven jullie op afstand de emoties van collega’s en klanten.)

Bespreek
  • Kto jest dziś szczęśliwy, a kto zdenerwowany? Dlaczego? (Wie is vandaag gelukkig en wie is nerveus/boos? Waarom?)
  • Która osoba jest blisko, a która dalej? Co teraz robi (uśmiecha się, płacze)? (Wie staat dichtbij en wie verder weg? Wat doet die persoon nu (glimlacht, huilt)?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ten kolega jest zdenerwowany i przeprasza. (Die collega is geïrriteerd en biedt zijn excuses aan.)
  • Ta klientka jest szczęśliwa i uśmiecha się. (Die klant is gelukkig en glimlacht.)
  • Tamten kolega jest wściekły i myśli o problemie. (Die andere collega is woedend en piekert over het probleem.)

Gebruik in gesprek
  • ten/ta/to (ten/ta/to)
  • ci/te (ci/te)
  • tamten/tamta/tamto (tamten/tamta/tamto)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Joanna Majchrowska

Master Spaanse filologie

University of Lodz

University_Logo

Polen


Laatst bijgewerkt:

dinsdag, 24/03/2026 22:19