Bijwoorden van hoeveelheid: mało, dużo, trochę...

Przysłówki ilości: mało, dużo, trochę...


W polskim przysłówki ilości to "dużo", "mało", "wystarczająco".

(In het Pools zijn hoeveelheidsbijwoorden: "dużo", "mało", "wystarczająco".)

Wat drukken deze woorden uit?

Dit zijn Poolse bijwoorden van hoeveelheid. Je gebruikt ze meestal bij zelfstandige naamwoorden (geld, tijd, water…).

Poolse woord Nederlands idee Typisch in zinnen
dużo veel dużo + (genitief)
mało weinig mało + (genitief)
trochę wat / een beetje trochę + (genitief)
wystarczająco genoeg / voldoende wystarczająco + (genitief)
nic niets nic + nie + werkwoord
wszystko alles wszystko (als object/onderwerp)

De belangrijkste regel: na “dużo/mało/trochę/wystarczająco” komt meestal de genitief

In het Pools “trekt” een hoeveelheid vaak de genitief aan (vergelijkbaar met “(een) beetje van …”).

  • dużo pieniędzy = veel geld
  • mało czasu = weinig tijd
  • trochę wody = wat water
  • wystarczająco pieniędzy = genoeg geld

Let op: in het Nederlands verandert het zelfstandig naamwoord niet (“veel geld”), maar in het Pools vaak wel.

Snel checken: is het telbaar of niet-telbaar?

Voor A1 is dit het meest praktisch:

  • dużo en mało kunnen bij telbaar én niet-telbaar.
  • trochę is meestal bij niet-telbaar.
Soort Voorbeelden Vaak met
Niet-telbaar woda (water), czas (tijd), pieniądze (geld) dużo/mało/trochę
Telbaar ludzie (mensen), rachunki (rekeningen), bilety (kaartjes) dużo/mało (en soms trochę in spreektaal)

De uitzondering die je vaak hoort: “trochę” + meervoud (spreektaal)

Strikt genomen is trochę typisch voor niet-telbaar, maar in het dagelijks Pools hoor je het ook met telbare dingen in het meervoud.

  • trochę ludzi = een paar / wat mensen
  • trochę rachunków = wat rekeningen

Als je twijfelt in nette taal: kies dużo/mało bij telbare zaken.

“Nic” en “wszystko”: twee klassieke valkuilen

  • nic gaat in het Pools vaak samen met nie bij het werkwoord (dubbele ontkenning is normaal):
    • Nic nie zapłaciłem. = Ik heb niets betaald.
    • Nic zapłaciłem.
  • wszystko betekent “alles” en gedraagt zich als een zelfstandig voornaamwoord:
    • Ona zapłaciła za wszystko. = Ze betaalde voor alles.

Mini-stappenplan (zelfcontrole)

  1. Kies het woord: dużo / mało / trochę / wystarczająco / nic / wszystko.
  2. Staat er een zelfstandig naamwoord na?
    • Ja → denk aan genitief: dużo czego? (waarvan veel?)
    • Nee → het kan ook “los” staan: Zapłaciłem nic. (hier: “niets”, zonder zelfstandig naamwoord)
  3. Bij “nic”: zet bijna altijd ook nie bij het werkwoord.

Korte, bruikbare voorbeeldzinnen (adult & praktisch)

  • Mam mało czasu. = Ik heb weinig tijd.
  • Masz dużo spotkań dzisiaj? = Heb je veel meetings vandaag?
  • Poproszę trochę wody. = Ik wil graag wat water.
  • Czy masz wystarczająco pieniędzy, żeby zapłacić? = Heb je genoeg geld om te betalen?
  • Nic nie kupuję. = Ik koop niets.
  • Za wszystko płacę kartą. = Voor alles betaal ik met de kaart.
  1. „Dużo” en „mało” gebruik je met telbare en ontelbare zelfstandige naamwoorden.
Przysłówek (Bijwoord)Przykład (Voorbeeld)
dużo (veel)On jest bogaty i ma dużo pieniędzy. (Hij is rijk en heeft veel geld.)
mało (weinig)Mam mało czasu na sen. (Ik heb weinig tijd om te slapen.)
trochę (een beetje)Chcesz trochę cukru? (Wil je een beetje suiker?)
wystarczająco (genoeg)Masz wystarczająco pieniędzy by zapłacić rachunki? (Heb je genoeg geld om de rekeningen te betalen?)
nic (niets)Nic nie zapłaciłem. (Niets heb ik betaald.)
wszystko (alles)Ona zapłaciła za wszystko. (Zij heeft voor alles betaald.)

Uitzonderingen!

  1. "Trochę” gebruik je meestal met ontelbare zelfstandige naamwoorden, maar in de omgangstaal kan het ook voorkomen met telbare zelfstandige naamwoorden in het meervoud, bv. trochę wody, trochę ludzi.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Przepraszam, mam ____ gotówki. Czy mogę zapłacić kartą?

Pardon, ik heb ____ contant geld. Mag ik met de kaart betalen?

2. Ta kawa jest tania: kosztuje tylko 10 złotych i 99 groszy, a ma ____ smaku.

Deze koffie is goedkoop: hij kost maar 10 zloty en 99 groszy, en hij heeft ____ smaak.

3. Poproszę ____ wody i rachunek, proszę.

Ik wil graag ____ water en de rekening, alstublieft.

4. Masz ____ pieniędzy, żeby zapłacić za bilet?

Heb je ____ geld om voor het kaartje te betalen?

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen door de ontbrekende bijwoorden van hoeveelheid in te vullen: veel, weinig, een beetje, voldoende, niets, alles.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Mam ____ czasu na sen.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Mam mało czasu na sen.
    (Mam mało czasu na sen.)
  2. Czy masz ____ pieniędzy, żeby zapłacić rachunek?
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Czy masz wystarczająco pieniędzy, żeby zapłacić rachunek?
    (Czy masz wystarczająco pieniędzy, żeby zapłacić rachunek?)
  3. Poproszę ____ wody, proszę.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Poproszę trochę wody, proszę.
    (Poproszę trochę wody, proszę.)
  4. On jest bogaty i ma ____ pieniędzy.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    On jest bogaty i ma dużo pieniędzy.
    (On jest bogaty i ma dużo pieniędzy.)
  5. W tym miesiącu nie zapłaciłem. Zapłaciłem ____ .
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    W tym miesiącu nie zapłaciłem. Zapłaciłem nic.
    (W tym miesiącu nie zapłaciłem. Zapłaciłem nic.)
  6. Ona zapłaciła za bilety, kawę i obiad. Zapłaciła za ____ .
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ona zapłaciła za bilety, kawę i obiad. Zapłaciła za wszystko.
    (Ona zapłaciła za bilety, kawę i obiad. Zapłaciła za wszystko.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Joanna Majchrowska

Master Spaanse filologie

University of Lodz

University_Logo

Polen


Laatst bijgewerkt:

donderdag, 12/03/2026 05:43