Przysłówki ilości (quantitative adverbs) wskazują, ile czegoś jest, na przykład: "dużo", "mało", "wystarczająco".

(Bijwoorden van hoeveelheid (quantitative adverbs) geven aan hoeveel er van iets is, bijvoorbeeld: „dużo”, „mało”, „wystarczająco”.)

1. Wat leer je in dit hoofdstuk?

  • Hoe je in het Pools hoeveelheid zegt: dużo, mało, trochę, wystarczająco, nic, wszystko.
  • Met welke soort woorden je ze gebruikt (telbaar / ontelbaar).
  • Hoe je simpele, natuurlijke zinnen maakt over geld, tijd, eten.

Tip: denk steeds: zeg ik "veel dingen" of "veel hoeveelheid / massa"? Dat helpt bij de keuze.

2. Overzicht: Poolse woorden voor hoeveelheid

Poolse vorm Basisbetekenis Ongeveer in het Nederlands
dużo grote hoeveelheid veel
mało kleine hoeveelheid weinig
trochę kleine / beperkte hoeveelheid een beetje
wystarczająco voldoende genoeg
nic helemaal geen hoeveelheid niets
wszystko de hele hoeveelheid alles

3. Telbaar en ontelbaar: waar moet je op letten?

In het Pools maakt de vorm van het zelfstandig naamwoord verschil. Daarom is het belangrijk om te zien of iets telbaar of ontelbaar is.

  • Telbaar (1, 2, 3 dingen): jabłko (appel), bilet (kaartje), samochód (auto), ludzie (mensen).
  • Ontelbaar (massa / hoeveelheid): woda (water), pieniądze (geld), czas (tijd), cukier (suiker).

Belangrijk: in het Pools gebruik je dużo en mało met allebei:

  • dużo pieniędzy – veel geld (ontelbaar)
  • dużo ludzi – veel mensen (telbaar, meervoud)
  • mało czasu – weinig tijd (ontelbaar)
  • mało klientów – weinig klanten (telbaar, meervoud)

trochę gebruik je vooral met ontelbaar, maar in spreektaal hoor je het ook met telbare woorden in het meervoud:

  • trochę wody – een beetje water (ontelbaar)
  • trochę ludzi – een paar / wat mensen (telbaar, meervoud, spreektaal)

4. Typische combinaties: wat klinkt natuurlijk?

De volgende combinaties hoor je heel vaak. Ze zijn veilig om te gebruiken.

  • dużo + geld / tijd / werk / mensen
    • dużo pieniędzy – veel geld
    • dużo czasu – veel tijd
    • dużo pracy – veel werk
    • dużo ludzi – veel mensen
  • mało + tijd / geld / eten
    • mało czasu – weinig tijd
    • mało pieniędzy – weinig geld
    • mało jedzenia – weinig eten
  • trochę + drank / eten / suiker e.d.
    • trochę wody – een beetje water
    • trochę mleka – een beetje melk
    • trochę cukru – een beetje suiker
  • wystarczająco + geld / tijd
    • wystarczająco pieniędzy – genoeg geld
    • wystarczająco czasu – genoeg tijd
  • nic + werkwoord
    • nic nie kupiłem – ik heb niets gekocht
    • nic nie zapłaciłem – ik heb niets betaald
  • wszystko + werkwoord
    • zapłaciłem za wszystko – ik heb voor alles betaald
    • ona zrobiła wszystko – zij heeft alles gedaan

5. Let op de plaats in de zin

In de basiszin staat het hoeveelheidswoord meestal direct vóór het zelfstandig naamwoord.

  • dużo czasu – letterlijk: veel tijd
  • mało pieniędzy – weinig geld
  • trochę cukru – een beetje suiker
  • wystarczająco gotówki – genoeg contant geld

In de hele zin:

  • Mam dużo czasu. – Ik heb veel tijd.
  • Mam mało pieniędzy. – Ik heb weinig geld.
  • Chcesz trochę cukru? – Wil je een beetje suiker?
  • Masz wystarczająco pieniędzy? – Heb je genoeg geld?

nic en wszystko staan vaak vlak bij het werkwoord:

  • Nic nie kupuję. – Ik koop niets.
  • Ona płaci za wszystko. – Zij betaalt voor alles.

6. Veelgemaakte fouten (en hoe je ze vermijdt)

  • Fout: *mam dużo*
    • In het Pools zeg je niet alleen mam dużo. Er moet nog een zelfstandig naamwoord bij.
    • Goed: Mam dużo czasu. / Mam dużo pracy.
  • Fout: *chcę trochę*
    • Zeg wat je een beetje wilt.
    • Goed: Chcę trochę mleka. – Ik wil een beetje melk.
  • Fout: *nic kupiłem*
    • In ontkennende zinnen staat in het Pools vaak "nic nie".
    • Goed: Nic nie kupiłem. – Ik heb niets gekocht.
  • Fout: *wystarczająco pieniądze*
    • Na wystarczająco volgt meestal een vorm met -y / -ów (toevallig: de Poolse tweede naamval).
    • Goed: wystarczająco pieniędzy, wystarczająco czasu.

7. Zelfcheck: begrijp je het systeem?

  1. Kies een woord: czas (tijd) of ludzie (mensen).
    • Maak een zin met dużo.
    • Maak een zin met mało.
  2. Beantwoord in het Pools:
    • Masz dużo czasu?
      • Mogelijke antwoorden:
        • Tak, mam dużo czasu.
        • Nie, mam mało czasu.
  3. Vul mondeling aan:
    • Mam ______ pieniędzy, nie kupuję samochodu.
      • Logisch antwoord: mało – weinig geld.
    • Mam ______ pieniędzy, płacę rachunki.
      • Logisch antwoord: wystarczająco – genoeg geld.

8. Samenvatting: waar moet je op letten?

  • dużo, mało – werken met telbare en ontelbare woorden.
  • trochę – vooral met ontelbare woorden; in spreektaal ook met telbaar meervoud.
  • wystarczająco – meestal met woorden als pieniędzy, czasu.
  • nic / wszystko – vaak met een werkwoord: nic nie kupuję, płacę za wszystko.
  • Het hoeveelheidswoord staat bijna altijd vóór het zelfstandig naamwoord.
  • Zeg niet alleen dużo of trochę; voeg altijd een zelfstandig naamwoord toe.

Als je deze punten beheerst, kun je in het Pools al heel veel zeggen over geld, tijd, eten en boodschappen doen – precies wat je in het dagelijks leven nodig hebt.

  1. „Dużo” i „mało” używa się z rzeczownikami policzalnymi i niepoliczalnymi.
Przysłówek (Bijwoord)Przykład (Voorbeeld)
Dużo (Veel)On jest bogaty i ma dużo pieniędzy. (Hij is rijk en heeft veel geld.)
Mało (Weinig)Mam mało czasu na sen. (Ik heb weinig tijd om te slapen.)
Trochę (Een beetje)Chcesz trochę cukru? (Wil je een beetje suiker?)
Wystarczająco (Genoeg)Masz wystarczająco pieniędzy by zapłacić rachunki? (Heb je genoeg geld om de rekeningen te betalen?)
Nic (Niets)Nic nie zapłaciłem. (Ik heb niets betaald.)
Wszystko (Alles)Ona zapłaciła za wszystko. (Zij heeft voor alles betaald.)

Uitzonderingen!

  1. „Trochę” najczęściej używa się z rzeczownikami niepoliczalnymi, ale w języku potocznym może również występować z rzeczownikami policzalnymi w liczbie mnogiej, np. trochę wody, trochę ludzi.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Mamy ___ promocji, ale dziś mam mało czasu, więc proszę pytać krótko.

We hebben ___ aanbiedingen, maar vandaag heb ik weinig tijd, dus graag kort vragen.)

2. Poproszę ___ sera i trochę szynki, ale nie chcę dużo chleba.

Ik wil ___ kaas en wat ham, maar ik wil niet veel brood.)

3. Mam ___ gotówki, żeby zapłacić rachunek.

Ik heb ___ contant geld om de rekening te betalen.)

4. Dziś ___ nie kupuję, bo mam mało pieniędzy na koncie.

Vandaag koop ik ___ niet, want ik heb weinig geld op mijn rekening.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het gegeven bijwoord van hoeveelheid (veel, weinig, een beetje, voldoende, niets, alles), zodat de zin logisch en correct is.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (dużo) W sklepie jest woda.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    W sklepie jest dużo wody.
    (In de winkel is veel water.)
  2. Hint Hint (mało) Mam czasu na obiad.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mam mało czasu na obiad.
    (Ik heb weinig tijd voor het avondeten.)
  3. Hint Hint (trochę) Chcesz cukru do kawy?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Chcesz trochę cukru do kawy?
    (Wil je een beetje suiker in je koffie?)
  4. Hint Hint (wystarczająco) Masz pieniędzy na ten bilet?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Masz wystarczająco pieniędzy na ten bilet?
    (Heb je genoeg geld voor dat kaartje?)
  5. Hint Hint (nic) Wczoraj nie kupiłem w sklepie.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wczoraj nie kupiłem nic w sklepie.
    (Gisteren heb ik niets in de winkel gekocht.)
  6. Hint Hint (wszystko) Ona płaci za zakupy.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ona płaci za wszystko.
    (Zij betaalt voor alles.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek wat je wel en niet moet kopen bij een klein budget.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Jesteś w supermarkecie w Polsce i masz mało pieniędzy.
(Je bent in een supermarkt in Polen en je hebt weinig geld.)

Bespreek
  • Co tutaj jest drogie, a co można kupić tanio? (Wat is hier duur en wat kun je hier goedkoop kopen?)
  • Na co wydajesz dużo pieniędzy, a na co tylko trochę? (Waar geef je veel geld aan uit en waarvoor geef je maar een beetje uit?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Mam mało pieniędzy. (Ik heb weinig geld.)
  • Ten produkt kosztuje dużo złotych. (Dit product kost veel zloty.)
  • Mam tylko trochę gotówki. (Ik heb maar een beetje contant geld.)

Gebruik in gesprek
  • dużo (veel)
  • mało (weinig)
  • trochę (een beetje)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Joanna Majchrowska

Master Spaanse filologie

University of Lodz

University_Logo

Polen


Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 19:11