Oefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 2: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Ogłoszenie HR: warsztat o współpracy w zespole
Vul de lege plekken in: poznanie, zabawny, otwarty, pracowity, przyjacielski, lepszy, nieśmiały, uprzejmy
(HR‑aankondiging: workshop over samenwerken in het team)
Dział HR zaprasza na krótki warsztat „Jak pracujemy w zespole”. Spotkanie jest dla nowych pracowników i osób z innych działów. Celem jest lepsza współpraca w projektach i nowych osób. Na warsztacie robimy krótkie ćwiczenia i mówimy o tym, jaki jest dobry współpracownik.
Prosimy przygotować 3 przymiotniki o sobie i 3 o idealnym współpracowniku. Możesz użyć słów: , , , , , . Na miejscu możesz też napisać: „Jestem bardziej pracowity niż w poprzedniej pracy” albo „Ten pomysł jest ”. Po spotkaniu HR wyśle krótką ankietę. Zgłoszenia: mail do HR do piątku.De HR‑afdeling nodigt je uit voor een korte workshop “Hoe werken we in het team”. De bijeenkomst is bedoeld voor nieuwe medewerkers en voor mensen uit andere afdelingen. Het doel is betere samenwerking in projecten en het leren kennen van nieuwe collega’s. Tijdens de workshop doen we korte oefeningen en praten we over wat een goede teamgenoot is.
We vragen je om 3 bijvoeglijke naamwoorden over jezelf en 3 over de ideale collega voor te bereiden. Je kunt de volgende woorden gebruiken: vriendelijk, open, beleefd, ijverig, grappig, verlegen. Ter plekke kun je ook schrijven: “Ik ben ijveriger dan in mijn vorige baan” of “Dit idee is beter”. Na de bijeenkomst stuurt HR een korte enquête. Aanmelden: stuur een mail naar HR vóór vrijdag.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Jak osoba mówiąca opisuje Tomka?
Kto jest bardziej nieśmiały?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. W pracy często ___ miłych i uprzejmych ludzi.
(Op het werk ___ ik vaak vriendelijke en beleefde mensen.)2. Na kursie polskiego ___ nowych kolegów i koleżanki z różnych krajów.
(Tijdens de Poolse cursus ___ ik nieuwe collega’s en klasgenoten uit verschillende landen kennen.)3. Po zajęciach ___ się z przyjacielskim sąsiadem na kawę.
(Na de les ___ ik af met een vriendelijke buurman om een kop koffie te drinken.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. W pracy poznajesz nową koleżankę z zespołu. Powiedz, jakie masz o niej pierwsze wrażenie jednym lub dwoma zdaniami. (Użyj: przyjacielska, miła, bardzo)
(Op het werk maak je kennis met een nieuwe collega in het team. Zeg wat je eerste indruk van haar is in één of twee zinnen. (Gebruik: przyjacielska, miła, bardzo))Ona jest bardzo
(Ona jest bardzo ...)Voorbeeld:
Ona jest bardzo przyjacielska i miła.
(Ona jest bardzo przyjacielska i miła.)2. Na spotkaniu z zespołem kolega krótko mówi o nowym pracowniku. Dodaj jedną rzecz o nim. (Użyj: pracowity, leniwy, w pracy)
(Tijdens een teamvergadering vertelt een collega kort over een nieuwe werknemer. Voeg één ding over hem toe. (Gebruik: pracowity, leniwy, w pracy))On jest
(On jest ...)Voorbeeld:
On jest pracowity. W pracy dużo pomaga.
(On jest pracowity. W pracy dużo pomaga.)Oefening 7: Correspondentie schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
Cześć! To Kasia z pracy.
W poniedziałek przychodzi nowa osoba, Marta. Widziałam ją raz: jest miła i uprzejma, ale trochę nieśmiała. Ty już ją poznajesz?
Możemy spotkać się na kawę po pracy i porozmawiać o zespole?
Hoi! Dit is Kasia van het werk.
Op maandag komt er een nieuwe collega, Marta. Ik heb haar één keer gezien: ze is aardig en beleefd, maar een beetje verlegen. Ken jij haar al?
Zullen we na het werk een kop koffie drinken en over het team praten?
Nuttige zinnen:
-
Cześć Kasiu, tak / nie, jeszcze nie znam Marty.
(Hoi Kasia, ja / nee, ik ken Marta nog niet.)
-
Moim zdaniem ona jest …, ale trochę …
(Naar mijn mening is zij …, maar ze is een beetje …)
-
Możemy spotkać się we wtorek o …? (albo w środę)
(Kunnen we elkaar dinsdag om … ontmoeten? (of woensdag))
Hoi Kasia! Ik ken Marta nog niet, maar ik leer haar graag kennen. Fijn dat ze aardig en beleefd is. Ik houd van open en hardwerkende mensen. Zullen we dinsdag om 17:30 een kop koffie drinken? Laat even weten of dat uitkomt.