Przyimki lokalizacji i ruchu w języku polskim odpowiadają na pytania: "Dokąd?", "Skąd?".
(Voorzetsels van plaats en beweging in het Pools beantwoorden de vragen:
- De accusatief wordt gebruikt wanneer er beweging naar/in de richting van een plaats wordt aangegeven.
- De genitief wordt gebruikt wanneer er weggaan/afstand nemen van een plaats wordt aangegeven.
| Przyimek (Voorzetsel) | Przypadek rzeczownika po przyimku (Naamval van het zelfstandig naamwoord na het voorzetsel) | Przykład w zdaniu (Voorbeeldzin) |
|---|---|---|
| w (in/naar) | biernik (accusatief) | W ten piątek wyjeżdżamy w góry. (Deze vrijdag gaan we naar de bergen.) |
| na (naar/op) | biernik (accusatief) | Idę na pocztę, bo muszę wysłać list (Ik ga naar het postkantoor, want ik moet een brief versturen) |
| między (tussen) | biernik (accusatief) | Kot schował się między krzesła. (De kat verstopte zich tussen de stoelen.) |
| poza (buiten) | biernik (accusatief) | Chcę wyjechać poza miasto w weekend. (Ik wil in het weekend buiten de stad weggaan.) |
| z(e) (uit/van) | dopełniacz (genitief) | Właśnie wracam z pracy. (Ik kom net terug van het werk.) |
| naprzeciw(ko) (tegenover) | dopełniacz (genitief) | Możemy się spotkać naprzeciwko recepcji. (We kunnen afspreken tegenover de receptie.) |
| do (naar) | dopełniacz (genitief) | Już późno, idę do domu. (Het is al laat, ik ga naar huis.) |
| obok (naast) | dopełniacz (genitief) | Czekam na ciebie obok samochodu. (Ik wacht op je naast de auto.) |
Uitzonderingen!
- „Ze” verschijnt om een woord makkelijker uit te spreken, bijv. ze sklepu, ze spotkania.
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Proszę przyjść ___ biura agencji o 10:00.
Kom alstublieft om 10:00 ___ het kantoor van het agentschap.2. Po oglądaniu mieszkania wracam ___ pracy prosto do domu.
Na het bezichtigen van het appartement ga ik ___ mijn werk rechtstreeks naar huis.3. Dzień dobry, czekam na pana ___ recepcji.
Goedendag, ik wacht op u ___ de receptie.4. Wieczorem idę ___ pocztę, a potem wracam do mieszkania.
Vanavond ga ik ___ het postkantoor en daarna ga ik terug naar het appartement.Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Prerschrijf de zinnen zodat ze het vraagwoord beantwoorden: gebruik de lijdende vorm bij beweging naar (Waarheen?) met voorzetsels in/na/tussen/buiten en de genitief bij beweging vandaan (Waarvandaan?) met voorzetsels z(e)/tegenover/naar/naast. Een hint (bijv. Waarheen/Waarvandaan/Waar) staat tussen haakjes voor de zin.
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIdę na pocztę w sobotę.(Ik ga zaterdag naar het postkantoor.)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldJedziemy w góry po pracy.(We gaan na het werk naar de bergen.)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldChcę wyjechać poza miasto w weekend.(Ik wil dit weekend buiten de stad vertrekken.)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldWracam z pracy teraz.(Ik kom nu van mijn werk terug.)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldJestem ze spotkania.(Ik kom van een vergadering.)
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldCzekam obok samochodu.(Ik wacht bij de auto.)
Oefening 3: Grammatica in actie
Instructie: In paren: één persoon verhuurder, de andere huurder; spreek plaats en tijd af.
- Gdzie dokładnie spotkamy się: obok czego lub naprzeciwko czego? (Waar spreken we precies af: bij wat of tegenover wat?)
- Skąd przyjedzie najemca i dokąd pójdzie po oglądaniu? (Waar komt de huurder vandaan en waar gaat hij na de bezichtiging heen?)
- Chcę oglądać nowe mieszkanie w piątek. (Ik wil het nieuwe appartement vrijdag bezichtigen.)
- Spotkajmy się obok parku. (Laten we elkaar bij het park ontmoeten.)
- Wracam z pracy, potem idę do domu. (Ik kom terug van mijn werk, daarna ga ik naar huis.)
- Idę do domu. (Ik ga naar huis.)
- Wracam z pracy. (Ik kom terug van mijn werk.)