W liczbie mnogiej wyróżniamy rodzaj męskoosobowy i rodzaj niemęskoosobowy. Rzeczownik i przymiotnik muszą być w tej samej liczbie i rodzaju, czyli zgadzają się ze sobą.

(In het meervoud onderscheiden we de persoonsmannelijke vorm en de niet-persoonsmannelijke vorm. Het zelfstandig naamwoord en het bijvoeglijk naamwoord moeten in hetzelfde getal en geslacht staan, dus ze komen met elkaar overeen.)

Męskoosobowy vs. niemęskoosobowy: de keuze die alles bepaalt

In het Pools heeft het meervoud twee smaken:

  • męskoosobowy = een groep met minstens één man (mensen).
  • niemęskoosobowy = alles anders: alleen vrouwen, kinderen, dieren, dingen, teams/afdelingen als “object”, abstracte woorden.

Dit is de hoofdregel: zodra er in de groep een man zit, schakel je naar męskoosobowy (ook als er 10 vrouwen bij staan).

Stap-voor-stap: zo kies je de juiste bijvoeglijke vorm

  1. Vraag 1: gaat het over mensen of niet?
  2. Vraag 2 (alleen bij mensen): zit er minstens één man in de groep?
  3. Kies dan het adjectief:
    • ja → męskoosobowy: eindigt meestal op -i / -y (bv. wysocy, młodzi)
    • nee / geen mannen / geen mensen → niemęskoosobowy: eindigt op -e (bv. ładne, niskie)

Snel overzicht: welke uitgang gebruik je?

Wat beschrijf je? Soort meervoud Adjectief-uitgang Voorbeeld
mannen / gemengde groep (met minstens één man) męskoosobowy -i / -y wysocy mężczyźni, młodzi ludzie
alleen vrouwen / kinderen / dieren / dingen / abstract niemęskoosobowy -e ładne dziewczyny, niskie kobiety, dobre biura

Typische valkuil (voor Nederlanders): “mannen” is niet genoeg—check de groep

  • Alleen vrouwen: ładne dziewczyny (niet ładni)
  • Alleen mannen: wysocy mężczyźni (niet wysokie)
  • Gemengd (mannen + vrouwen): ook wysocy / młodzi

Ezelsbrug: 1 man = “aan” (męskoosobowy).

Wat je vooral moet herkennen in de voorbeelden

  • mężczyźni → mannen → adjectief wysocy
  • ludzie → mensen (vaak gemengd/algemeen) → meestal męskoosobowy: młodzi ludzie
  • kobiety / dziewczyny → vrouwen/meisjes → niemęskoosobowy: niskie, ładne

Zelfcheck (10 seconden)

  1. Onderstreep het zelfstandig naamwoord in het meervoud.
  2. Stel de vraag: groep mensen met minstens één man?
  3. Kies:
    • ja → adjectief op -i / -y
    • nee → adjectief op -e
  1. In het meervoud delen we zelfstandige naamwoorden in in persoonsmannelijke (groepen mensen) en niet-persoonsmannelijke (alles anders: dingen, dieren, abstracte begrippen).
  2. In het meervoud hebben zelfstandige naamwoorden in de persoonsmannelijke vorm de uitgangen -i / -y / -e / -owie, en in de niet-persoonsmannelijke vorm – -e / -a / -y.
  3. Bijvoeglijke naamwoorden in de persoonsmannelijke vorm hebben de uitgang -i / -y, en in de niet-persoonsmannelijke vorm – -e.
L. poj. męski  (Enkelvoud mannelijk)L. mn. męskoosobowy (Meervoud persoonsmannelijk)L. poj. żeński, nijaki (Enkelvoud vrouwelijk, onzijdig)L. mn. niemęskoosobowy (Meervoud niet-persoonsmannelijk)
wysoki mężczyznawysocy mężczyźniniska kobietaniskie kobiety
młody człowiekmłodzi ludzieładna dziewczynaładne dziewczyny

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Na zdjęciu są ____ dziewczyny.

Op de foto staan ____ meisjes.)

2. W biurze są ____ mężczyźni.

Op kantoor zijn ____ mannen.)

3. Tam stoją ____ ludzie.

Daar staan ____ mensen.)

4. Na spotkaniu są ____ kobiety.

Op de vergadering zijn ____ vrouwen.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Zet de zinnen om naar meervoud: verander zowel het zelfstandig naamwoord als het bijvoeglijk naamwoord (mannelijk-persoonsvorm: -i/-y, niet-mannelijk-persoonsvorm: -e).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. To jest wysoki mężczyzna.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    To są wysocy mężczyźni.
    (To są wysocy mężczyźni.)
  2. To jest młody człowiek.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    To są młodzi ludzie.
    (To są młodzi ludzie.)
  3. To jest miły pan.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    To są mili panowie.
    (To są mili panowie.)
  4. To jest niska kobieta.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    To są niskie kobiety.
    (To są niskie kobiety.)
  5. To jest ładna dziewczyna.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    To są ładne dziewczyny.
    (To są ładne dziewczyny.)
  6. To jest dobre biuro.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    To są dobre biura.
    (To są dobre biura.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Beschrijf per paar de personen op de foto’s, en de partner wijst de juiste foto aan.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
W recepcji opisujesz ochronie osoby ze zdjęć z firmowego wydarzenia.
(Bij de receptie beschrijf je voor de beveiliging de personen op foto’s van een bedrijfsbijeenkomst.)

Bespreek
  • Które osoby to mężczyźni, a które to kobiety? (Welke personen zijn mannen en welke zijn vrouwen?)
  • Jak wyglądają: włosy, wzrost, sylwetka, broda? Opisz krótko grupy osób. (Hoe zien ze eruit: haar, lengte, postuur, baard? Beschrijf kort de groepen mensen.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • To są ładne dziewczyny z długimi włosami. (Dat zijn mooie meisjes met lang haar.)
  • To są wysocy mężczyźni z brodą. (Dat zijn lange mannen met een baard.)
  • To są niskie kobiety z kręconymi włosami. (Dat zijn kleine vrouwen met krullend haar.)

Gebruik in gesprek
  • ładne dziewczyny (mooie meisjes)
  • wysocy mężczyźni (lange mannen)
  • niskie kobiety (kleine vrouwen)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Joanna Majchrowska

Master Spaanse filologie

University of Lodz

University_Logo

Polen


Laatst bijgewerkt:

donderdag, 05/03/2026 04:19