A1.19 - Prijzen en geld
A1.19 - Prijzen en geld

A1.19 - Prijzen en geld - Oefeningen

Ceny i pieniądze


Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Ile kosztuje ten chleb? Kosztuje 10 złotych. (Hoeveel kost dit brood? Het kost 10 zł.)
Poproszę zniżkę, mam kartę studencką. (Mag ik korting, ik heb een studentenkaart.)
Mam mało gotówki, zapłacę kartą. (Ik heb weinig contant geld, ik betaal met een kaart.)
To jest drogie, kosztuje 99 groszy więcej. (Dat is duur, het kost 99 gróśzy meer.)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Ceny i płatności w sklepie samoobsługowym

Vul de lege plekken in: kartą, rachunek, darmowe, gotówki, cenę, ceny, zniżka, płacisz

(Prijzen en betalingen in een zelfbedieningswinkel)

Żabka Nano – szybkie zakupy 24/7. Do sklepu wejdziesz płatniczą lub aplikacją. Przy wejściu przykładasz kartę lub skanujesz kod z aplikacji. Po zakupach dostajesz SMS-em. W sklepie nie ma obsługi: bierzesz produkty z półek i wychodzisz. Jeśli odkładasz produkt na miejsce, nie za niego.

Przykładowe : kawa 10 złotych, woda 99 groszy, kanapka 12 złotych. Czasem w aplikacji jest . Jeśli chcesz znać , sprawdź etykietę na półce. Jeśli coś jest , ma opis „gratis”. Gdy masz mało , możesz zapłacić kartą.
Żabka Nano – snelle boodschappen 24/7. De winkel betreed je met een betaalkaart of via een app. Bij binnenkomst houd je de kaart tegen de lezer of scan je de code uit de app. Na het winkelen ontvang je de bon per sms. In de winkel is geen personeel: je pakt producten uit de schappen en loopt naar buiten. Als je een product terugzet, hoef je er niet voor te betalen.

Voorbeeldprijzen: koffie 10 złotych, water 99 groszy, broodje 12 złotych. Soms is er een korting in de app. Als je de prijs wilt weten, kijk dan naar het etiket op het schap. Als iets gratis is, staat er de aanduiding “gratis”. Als je weinig contant geld hebt, kun je met kaart betalen.

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Dzień dobry. Poproszę kawę i wodę. Ile to kosztuje? Mam tylko trochę gotówki, resztę zapłacę kartą.

Jak ona chce zapłacić?

(Hoe wil zij betalen?)
2. Dzień dobry, proszę rachunek. To jest 42 złote 99 groszy. Dziś przy płatności kartą jest mała zniżka, więc zapłacę kartą.

Ile wynosi rachunek?

(Hoeveel is de rekening?)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ile ___ ten chleb?

(Hoeveel ___ dit brood?)

2. Ta kawa ___ 10 złotych i 99 groszy.

(Deze koffie ___ 10 zloty en 99 groszy.)

3. Mam mało gotówki, więc ___ kartą.

(Ik heb weinig contant geld, dus ik ___ met kaart.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Jesteś w sklepie i chcesz kupić kawę. Nie widzisz ceny. Zapytaj sprzedawcę o cenę. (Użyj: cena, ile, złoty)

(Je bent in de winkel en wilt koffie kopen. Je ziet de prijs niet. Vraag de verkoper naar de prijs. (Gebruik: prijs, hoeveel, złoty))

Jaka jest     ?

(Hoeveel kost ...?)

Voorbeeld:

Jaka jest cena tej kawy?

(Hoeveel kost deze koffie?)

2. Jesteś w piekarni i kupujesz dwie rzeczy. Sprzedawca mówi sumę, a Ty chcesz poprosić o małą zniżkę, bo bierzesz więcej. (Użyj: zniżka, proszę, trochę)

(Je bent in de bakkerij en koopt twee dingen. De verkoper noemt het bedrag en jij wilt om een kleine korting vragen omdat je meer neemt. (Gebruik: korting, alstublieft, een beetje))

Czy jest     ?

(Is er ...?)

Voorbeeld:

Czy jest zniżka, proszę? Biorę dwa.

(Is er korting, alstublieft? Ik neem er twee.)

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Cześć! Tu Ania. Jestem w sklepie i kupuję rzeczy na kolację.

Masło kosztuje 10 złotych, a jogurt ma zniżkę i jest za 99 groszy.

Chcesz, żebym kupiła jeszcze pieczywo? I jak mam zapłacić: kartą czy gotówką?


Hoi! Met Ania. Ik ben in de winkel en koop spullen voor het avondeten.

Boter kost 10 zł, en de yoghurt is in de aanbieding en kost 99 groszy.

Wil je dat ik ook brood koop? En hoe moet ik betalen: met kaart of contant?


Nuttige zinnen:

  1. Poproszę jeszcze…

    (Zou je nog... willen?)

  2. Zapłać, proszę, kartą/gotówką.

    (Betaal alsjeblieft met kaart/contant.)

  3. Mam mało gotówki, mam kartę.

    (Ik heb weinig contant geld, ik heb een kaart.)

Cześć Aniu! Tak, kup proszę pieczywo i trochę wody. Zapłać kartą, bo mam mało gotówki. Dziękuję!

Hoi Ania! Ja, koop alsjeblieft brood en wat water. Betaal met kaart, ik heb weinig contant geld. Dankjewel!