Leer de basis van tellen in het Pools met woorden zoals 'trzy' (drie), 'sto' (honderd) en belangrijke uitdrukkingen als 'Ile masz lat?' (Hoe oud ben je?). Oefen praktische gesprekssituaties over getallen, aankoop van kaartjes en boodschappen doen.
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Kom de vertalingen overeen
Oefening 3: Clusteren van woorden
Instructie: Orden de onderstaande woorden in twee categorieën: getallen kleiner dan 50 en getallen gelijk aan of groter dan 50.
Liczby mniejsze niż 50
Liczby równe lub większe niż 50
Ćwiczenie 4: Gespreksoefening
Instrukcja:
- Lees de rekenopgaven hardop voor en los ze op. (Lees de rekentaken hardop voor en los ze op.)
- Geef een rekenopdracht aan de anderen. (Geef een rekentaak aan de anderen.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
Dziesięć plus dwa równa się dwanaście. Tien plus twee is twaalf. |
Dziesięć minus dwa równa się osiem. Tien min twee is acht. |
Dziesięć razy dwa równa się dwadzieścia. Tien keer twee is twintig. |
Dziesięć podzielone przez dwa równa się pięć. Tien gedeeld door twee is vijf. |
Tuzin to dwanaście. Een dozijn is twaalf. |
... |
Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ile lat _____?
(Hoe oud _____?)2. _____ trzydzieści lat i pracuję w biurze.
(_____ dertig jaar en ik werk op kantoor.)3. Dzisiaj jest _____ kwietnia.
(Vandaag is het _____ april.)4. O której godzinie _____ pracę?
(Hoe laat _____ met werken?)Oefening 7: Winkelen op de markt - Getallen en tellen
Instructie:
Werkwoordschema's
Iść - Gaan
Czas teraźniejszy
- ja idę
- ty idziesz
- on/ona/ono idzie
- my idziemy
- wy idziecie
- oni/one idą
Mieć - Hebben
Czas teraźniejszy
- ja mam
- ty masz
- on/ona/ono ma
- my mamy
- wy macie
- oni/one mają
Chcieć - Willen
Czas teraźniejszy
- ja chcę
- ty chcesz
- on/ona/ono chce
- my chcemy
- wy chcecie
- oni/one chcą
Pytać - Vragen
Czas teraźniejszy
- ja pytam
- ty pytasz
- on/ona/ono pyta
- my pytamy
- wy pytacie
- oni/one pytają
Mówić - Zeggen
Czas teraźniejszy
- ja mówię
- ty mówisz
- on/ona/ono mówi
- my mówimy
- wy mówicie
- oni/one mówią
Liczyć - Tellen
Czas teraźniejszy
- ja liczę
- ty liczysz
- on/ona/ono liczy
- my liczymy
- wy liczycie
- oni/one liczą
Wracać - Terugkeren
Czas teraźniejszy
- ja wracam
- ty wracasz
- on/ona/ono wraca
- my wracamy
- wy wracacie
- oni/one wracają
Opowiadać - Vertellen
Czas teraźniejszy
- ja opowiadam
- ty opowiadasz
- on/ona/ono opowiada
- my opowiadamy
- wy opowiadacie
- oni/one opowiadają
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Pools oefenen? Dat is mogelijk! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Getallen en tellen in het Pools
Deze les is bedoeld voor beginners op niveau A1 die de basis van het tellen en het gebruik van getallen in het Pools willen leren. Je komt woorden en zinnen tegen die je helpen om hoeveelheden, leeftijden, data en prijzen uit te drukken, wat essentieel is voor dagelijks gesprek en eenvoudige boodschappen.
Essentiële Nederlandse woorden en uitdrukkingen
- liczby – getallen
- lat – jaar (van leeftijd)
- bilet – ticket
- jabłka – appels
- kupować – kopen
- telefon – telefoon
Belangrijke aandachtspunten over het Pools tellen
In het Pools veranderen getallen soms afhankelijk van het gebruik en de grammaticale context. Bijvoorbeeld: trzy jabłka (drie appels) en dwie gruszki (twee peren) tonen genderafhankelijke vormen van het telwoord. Net als in het Nederlands heeft het getal invloed op het zelfstandig naamwoord.
Een opvallend verschil met het Nederlands is dat bij datumuitdrukkingen de rangtelwoorden zoals dwudziesty pierwszy (eenentwintigste) worden gebruikt in mannelijke vorm, aangepast aan het zelfstandig naamwoord kwietnia (april). De Pools rangtelwoorden hebben ook een specifieke verbuiging die je moet leren.
Praktische zinnen en voorbeelden
- Ile masz lat? – Hoe oud ben je?
- Mam dwadzieścia pięć lat. – Ik ben vijfentwintig jaar oud.
- Kupuję trzy jabłka i dwie gruszki. – Ik koop drie appels en twee peren.
- Czy możesz podać mi swój numer telefonu? – Kun je me je telefoonnummer geven?
- W sklepie jest sto różnych rodzajów herbaty. – In de winkel zijn er honderd verschillende soorten thee.
Oefeningen om het leren te ondersteunen
De les bevat ook oefeningen waaronder het ordenen van zinnen, het koppelen van getallen aan categorieën, en dialogen rond alledaagse situaties zoals buskaartjes kopen, koffie bestellen, en boodschappen doen. Deze oefeningen helpen je vertrouwd te raken met het gebruik van getallen in context.
Vergelijking met Nederlands en handige uitdrukkingen
In tegenstelling tot het Nederlands worden in het Pools vaak specifieke telwoorden gecombineerd met zelfstandige naamwoorden die van vorm veranderen afhankelijk van het aantal en het geslacht. Bijvoorbeeld, het woord voor ‘twee’ is dwa maar verandert in dwie bij vrouwelijke zelfstandige naamwoorden zoals ‘gruszka’ (peer). Vergeleken met het Nederlands, waar telwoorden meestal onveranderd blijven, vraagt het Pools meer aandacht voor overeenstemming.
Handige Poolse zinnen om mee te beginnen:
„Ile to kosztuje?” – Hoeveel kost dit?
„Poproszę trzy bilety.” – Ik wil graag drie kaartjes.
„Mam dwadzieścia lat.” – Ik ben twintig jaar oud.