Oefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 2: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Informacja w biurze: „Punkt informacji”
Vul de lege plekken in: pytać, dokąd, czy, kto, co, znaczy, skąd, odpowiada, ile
(Informatie op kantoor: „Informatiepunt”)
W naszym biurze działa Punkt informacji. Możesz tam o salę spotkań, drukarkę, identyfikator i hasło do Wi‑Fi. Pracownik punktu od poniedziałku do piątku w godz. 9:00–16:00. Jeśli chcesz zadać pytanie typu „tak/nie”, użyj partykuły „ ”: „Czy jest dziś wolna sala?”.
Przygotuj proste pytania przed wizytą. Zwykle potrzebne są: ma klucz, skrót na mapie biura, wziąć formularz i zanieść dokument. Możesz też zapytać: trwa przerwa techniczna drukarki i jak często są aktualizacje systemu. Gdy czegoś nie rozumiesz, zapytaj: „Co to znaczy?” i poproś o krótką odpowiedź.Op ons kantoor is er een informatiepunt. Je kunt daar vragen stellen over de vergaderzaal, de printer, je identiteitskaart en het wachtwoord voor Wi‑Fi. De medewerker van het informatiepunt is bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 9:00 tot 16:00. Als je een ja/nee‑vraag wilt stellen, gebruik dan het partikel „czy”: „Czy is er vandaag een vrije zaal?”.
Bereid eenvoudige vragen voor voordat je langskomt. Meestal wil je weten: wie de sleutel heeft, wat de afkorting op de kantoorplattegrond betekent, waar je het formulier kunt krijgen en waar je het document naartoe moet brengen. Je kunt ook vragen: hoe lang de technische onderbreking van de printer duurt en hoe vaak er systeemupdates plaatsvinden. Als je iets niet begrijpt, vraag dan: „Wat betekent dat?” en vraag om een kort antwoord.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
O co pyta osoba z nagrania?
Co Marek chce wiedzieć?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Czy pan ___ o drogę na dworzec?
(Vraagt u ___ de weg naar het station?)2. Na egzaminie krótko ___: „Tak, mam czas”.
(Op het examen ___: "Ja, ik heb tijd".)3. Czy to pytanie ___ „Skąd jesteś”?
(Betekent deze vraag ___ "Waar kom je vandaan?")Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Jesteś w recepcji w nowej pracy. Chcesz się dowiedzieć, do kogo masz podejść z pytaniem o kartę wejściową. Zapytaj uprzejmie. (Użyj: kto, pani/pan, tutaj)
(Je staat bij de receptie op je nieuwe werk. Je wilt graag weten bij wie je terechtkunt met een vraag over de toegangskaart. Vraag beleefd. (Gebruik: kto, pani/pan, tutaj))Kto tutaj ?
(Kto tutaj ...?)Voorbeeld:
Przepraszam, kto tutaj pomaga z kartą do wejścia?
(Przepraszam, kto tutaj pomaga z kartą do wejścia?)2. Jesteś w sklepie i chcesz kupić kartę SIM, ale nie rozumiesz jednego słowa na opakowaniu. Zapytaj sprzedawcę, co to znaczy. (Użyj: co, znaczy, proszę)
(Je bent in de winkel en je wilt een simkaart kopen, maar je begrijpt één woord op de verpakking niet. Vraag de verkoper wat dat betekent. (Gebruik: co, znaczy, proszę))Co to ?
(Co to ...?)Voorbeeld:
Przepraszam, co znaczy „limit”?
(Przepraszam, co znaczy „limit”?)Oefening 7: Correspondentie schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
Cześć! Tu Anna z mieszkania 12.
Mam pytanie: czy to Twoja paczka w paczkomacie przy sklepie? Na paczce jest Twoje imię. Ja jutro jadę do pracy i nie wiem, co zrobić.
Skąd jest ta paczka? Jak długo może tam być? Możesz ją odebrać dziś?
Hoi! Hier Anna uit appartement 12.
Ik heb een vraag: is dit jouw pakket in het pakketautomaat bij de winkel? Op het pakket staat jouw naam. Ik ga morgen naar mijn werk en weet niet wat ik moet doen.
Waar komt dat pakket vandaan? Hoe lang kan het daar blijven? Kun je het vandaag ophalen?
Nuttige zinnen:
-
Cześć Aniu, tak / nie, to moja paczka.
(Hoi Aniu, ja/nee, dat is mijn pakket.)
-
Czy możesz odebrać paczkę dziś?
(Kun je het pakket vandaag ophalen?)
-
Mogę odebrać paczkę dziś o … / jutro o …
(Ik kan het pakket vandaag ophalen om … / morgen om …)
Hoi Aniu! Ja, dat is mijn pakket. Het is van een webwinkel. Het kan nog twee dagen in het pakketautomaat blijven. Vandaag kan ik het om 18:30 ophalen. Wil je me het nummer van het pakketautomaat sturen? Dankjewel!