Toekomende tijd van onvoltooide werkwoorden: będę czekać, będzie pracował...

Czas przyszły czasowników niedokonanych: będę czekać, będzie pracował...


W języku polskim formą wyrażania przyszłości jest czas przyszły złożony.

(In het Pools wordt de toekomst uitgedrukt met de samengestelde toekomende tijd.)

Twee manieren om de toekomende tijd te maken (alleen bij onvoltooide werkwoorden)

In het Pools maak je de toekomst voor onvoltooide werkwoorden (zoals pracować = werken als proces/duur) op 2 manieren.

  • Optie A (simpel): być in de toekomende tijd + infinitief
    będę pracować = ik zal werken / ik ga werken
  • Optie B (heel gebruikelijk): być in de toekomende tijd + verleden tijd-vorm (met geslacht)
    będę pracował / pracowała

Beide betekenen in de praktijk hetzelfde. Kies gerust één systeem om mee te starten.

Stap 1: kies de juiste vorm van być (będę, będziesz, ...)

Dit is het vaste deel. Het verandert alleen met de persoon (ik/jij/hij...).

persoon być (toekomst)
jabędę
tybędziesz
on/ona/onobędzie
mybędziemy
wybędziecie
oni/onebędą

Optie A: będę + infinitief (meest transparant)

Gebruik: będę/będziesz/będzie... + infinitief.

  • Jutro będę pracować. = Morgen ga ik werken.
  • W sobotę będziemy oglądać wystawę. = Zaterdag zullen we een tentoonstelling bekijken.
  • Po pracy będziesz słuchać muzyki. = Na het werk zul je naar muziek luisteren.

Let op: na będę komt geen tegenwoordige tijd.

  • będę pracuję
  • będę pracować

Optie B: będę + verleden tijd (hier moet je op letten)

Deze vorm hoor je vaak in spreektaal. Je gebruikt być (toekomst) + een verleden tijd-vorm.

Belangrijk verschil met optie A: de verleden tijd-vorm geeft geslacht (en soms groepstype) aan.

wie? voorbeeld met pracować
ik (man) będę pracował
ik (vrouw) będę pracowała
wij (groep met minstens 1 man / mannen) będziemy pracowali
wij (alleen vrouwen) będziemy pracowały
  • On będzie pracował. (hij)
  • Ona będzie pracowała. (zij)
  • One będą pracowały. (zij = vrouwen)
  • Oni będą pracowali. (zij = mannen/mix)

Tip: twijfel je over oni/one? Kies optie A (infinitief). Dan hoef je niet te kiezen tussen pracowali/pracowały.

Wanneer gebruik je welke? (praktische keuze)

  • Optie A (infinitief): veilig, duidelijk, ideaal om te starten en voor gemengde groepen.
  • Optie B (verleden tijd): heel natuurlijk in het Pools, maar je moet geslacht/groep correct zetten.

Voor A1 is dit een goede strategie: eerst optie A automatiseren, daarna optie B erbij nemen.

Uitzondering: móc en chcieć (alleen met “verleden tijd”-vorm)

Sommige werkwoorden vormen de toekomst niet met een infinitief na będę, maar met hun eigen “verleden tijd”-vorm (in de toekomstconstructie).

infinitief ik (toekomst) jij (toekomst)
móc (kunnen) będę mógł / mogła będziesz mógł / mogła
chcieć (willen) będę chciał / chciała będziesz chciał / chciała

Veelgemaakte fout:

  • będę móc
  • będę mógł / mogła

Snelle zelfcheck (2 vragen)

  1. Is het werkwoord onvoltooid (proces/duur, herhaling)? Dan mag je deze toekomst gebruiken.
  2. Wil je het simpel houden? Kies będę + infinitief. Wil je natuurlijker klinken en kan je het geslacht zetten? Kies ook eens będę + verleden tijd.
  1. Er zijn twee manieren om de toekomende tijd te vormen voor onvoltooide werkwoorden in het Pools.
  2. De eerste manier is het werkwoord „być” in de toekomende tijd + de infinitief, bv. będę czekać.
  3. De tweede manier, die vaker wordt gebruikt in het Pools, is „być” in de toekomende tijd + het werkwoord in de verleden tijd in de 3e persoon (enkelvoud of meervoud).
 Być + czasownik (Być + werkwoord)Być + bezokolicznik  (Być + infinitief )
jabędę pracował/pracowałabędę pracować
tybędziesz pracował/pracowałabędziesz pracować
onbędzie pracowałbędzie pracować
onabędzie pracowałabędzie pracować
onobędzie pracowałobędzie pracować
my będziemy pracowali/pracowałybędziemy pracować
wybędziecie pracowali/pracowałybędziecie pracować
onibędą pracowali będą pracować
onebędą pracowałybędą pracować

Uitzonderingen!

  1. Er zijn ook werkwoorden, bv. „chcieć” en „móc”, die de toekomende tijd uitsluitend vormen door hun verleden-tijdsvorm toe te voegen aan het werkwoord „być”.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Jutro ___ na panią przy wejściu do muzeum.

Morgen ___ bij de ingang van het museum op u wachten.

2. W sobotę ___ wystawę w centrum.

Zaterdag ___ de tentoonstelling in het centrum bekijken.

3. Po pracy ___ muzyki w domu.

Na het werk ___ thuis naar muziek luisteren.

4. Artyści ___ na koncercie o 19:00.

Artiesten ___ om 19:00 uur optreden.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen in de toekomende tijd voor onvoltooide werkwoorden, gebruikmakend van de constructie: zijn (in de toekomst) + infinitief. (Voorbeeld: Vandaag werk ik. → Morgen zal ik werken.)

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (Jutro) Dzisiaj pracuję w biurze.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Jutro będę pracować w biurze.
    (Jutro zal ik in het kantoor werken.)
  2. Hint Hint (Za chwilę) Teraz czekasz na autobus.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Za chwilę będziesz czekać na autobus.
    (Straks zal je op de bus wachten.)
  3. W poniedziałek on uczy się polskiego.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    W poniedziałek on będzie uczyć się polskiego.
    (Op maandag zal hij Pools leren.)
  4. Hint Hint (Dzisiaj wieczorem) Dzisiaj ona ogląda film w domu.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Dzisiaj wieczorem ona będzie oglądać film w domu.
    (Vanavond zal zij thuis een film kijken.)
  5. Hint Hint (Jutro rano) Rano my robimy zakupy.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Jutro rano będziemy robić zakupy.
    (Morgen vroeg zullen wij boodschappen doen.)
  6. Hint Hint (Jutro) Teraz wy idziecie do pracy.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Jutro będziecie iść do pracy.
    (Morgen zullen jullie naar het werk gaan.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek het en kies een gezamenlijk plan: waar en wanneer.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
W pracy ustalacie weekend: pójść na koncert czy na wystawę.
(Op het werk plannen jullie het weekend: naar een concert gaan of naar een tentoonstelling.)

Bespreek
  • Na jakie wydarzenie pojedziecie: koncert, muzeum czy kino? Dlaczego? (Naar welk evenement gaan jullie: een concert, een museum of de bioscoop? Waarom?)
  • Kto będzie czekał na miejscu i o której godzinie? Jak się spotkacie?','Jakie dzieło sztuki chcecie zobaczyć: obraz czy rzeźbę?','Jaką muzykę będziecie słuchać i jak to będzie brzmieć? (Wie wacht er ter plaatse en hoe laat? Hoe spreken jullie af?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Wystawa w muzeum (Tentoonstelling in het museum)
  • Koncert z żywą muzyką (Concert met live muziek)
  • Obraz lub rzeźba (Schilderij of beeldhouwwerk)

Gebruik in gesprek
  • będę + bezokolicznik (np. będę czekać, będę śpiewać) (będę + infinitief (bijv. będę czekać, będę śpiewać))
  • będzie / będziemy + forma przeszła (np. będzie pracował, będziemy czekali) (będzie / będziemy + verleden tijd (bijv. będzie pracował, będziemy czekali))
  • będziesz + bezokolicznik (np. będziesz występować) (będziesz + infinitief (bijv. będziesz występować))

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Joanna Majchrowska

Master Spaanse filologie

University of Lodz

University_Logo

Polen


Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/03/2026 16:07