1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (19)

Drzewo Show

Boom Show

Roślina Show

Plant Show

Kwiat Show

Bloem Show

Liść Show

Blad Show

Nasiono Show

Zaad Show

Trawa Show

Gras Show

Kaktus Show

Cactus Show

Róża Show

Roos Show

Tulipan Show

Tulp Show

Stokrotka Show

Madeliefje Show

Gleba Show

Bodem Show

Kamień Show

Steen Show

Ogrodnik Show

Tuinman Show

Pomoc Show

Hulp Show

Sadzić Show

Planten Show

Pielęgnować Show

Verzorgen Show

Podlewać Show

Water geven Show

Siadać Show

Zitten Show

Huśtawka Show

Schommel Show

4. Oefeningen

Oefening 1: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie

WhatsApp: Je krijgt een WhatsApp-bericht van een collega van het werk die op vakantie gaat en je vraagt of je haar planten in het appartement wilt water geven – antwoord of je kunt helpen en stel één vraag over de verzorging.


Cześć!

Jadę na urlop na 10 dni i mam prośbę. Czy możesz podlewać moje rośliny w domu?

W salonie jest duży kaktus i mała róża w doniczce. Kaktusa podlewaj mało, dlatego że nie lubi dużo wody. Różę podlewaj co 3 dni, a potem postaw ją przy oknie.

W kuchni stoi jeszcze jedna roślina na stole. Też potrzebuje trochę wody.

Możesz mi pomóc? :)

Pozdrowienia,
Zosia


Hoi!

Ik ga 10 dagen op vakantie en ik heb een vraag. Wil je mijn planten in huis water geven?

In de woonkamer staat een grote cactus en een kleine roos in een pot. Geef de cactus weinig water, omdat hij niet van veel water houdt. Geef de roos om de 3 dagen water en zet haar daarna bij het raam.

In de keuken staat nog een plant op tafel. Die heeft ook wat water nodig.

Kun je me helpen? :)

Groetjes,
Zosia


Begrijp de tekst:

  1. Na ile dni Zosia jedzie na urlop i o co prosi w wiadomości?

    (Hoeveel dagen gaat Zosia op vakantie en waarvoor vraagt ze in haar bericht?)

  2. Jak Zosia chce, żeby podlewać kaktus i różę w salonie?

    (Hoe moet je volgens Zosia de cactus en de roos in de woonkamer water geven?)

Nuttige zinnen:

  1. Dziękuję za wiadomość.

    (Dank je voor het bericht.)

  2. Mogę pomóc, dlatego że...

    (Ik kan helpen, omdat...)

  3. Mam pytanie o twoje rośliny: ...

    (Ik heb een vraag over jouw planten: ...)

Cześć Zosiu,

dziękuję za wiadomość. Tak, mogę pomóc, dlatego że mieszkam blisko ciebie. Mogę podlewać twoje rośliny w salonie i w kuchni.

Mam pytanie o różę: ile wody dać? Szklankę czy mniej? I o której godzinie mam przyjść do mieszkania?

Pozdrawiam,
Anna

Hoi Zosia,

dank je voor je bericht. Ja, ik kan helpen, omdat ik dicht bij je woon. Ik kan je planten in de woonkamer en in de keuken water geven.

Ik heb een vraag over de roos: hoeveel water moet ik geven? Een glas of minder? En hoe laat zal ik naar het appartement komen?

Groeten,
Anna

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

W biurze mam dużą roślinę, dlatego że wolę pracować w zieleni. (Op kantoor heb ik een grote plant, want ik werk het liefst tussen groen.)
W sobotę sadzę drzewo w ogrodzie, potem podlewam je czystą wodą. (Op zaterdag plant ik een boom in de tuin, en daarna geef ik hem schoon water.)
Wieczorem siedzę na balkonie i podlewam każdy kwiat osobno. (ʼs Avonds zit ik op het balkon en geef ik elke bloem apart water.)
Mam w domu kaktus, też nie potrzebuje dużo wody. (Thuis heb ik een cactus, die heeft ook niet veel water nodig.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. W pracy ___ przy oknie, dlatego że tam stoją moje rośliny doniczkowe.

(Op het werk ___ bij het raam, omdat daar mijn kamerplanten staan.)

2. W domu żona ___ w salonie, a ja potem podlewam kwiaty na balkonie.

(Thuis ___ mijn vrouw in de woonkamer en daarna geef ik de bloemen op het balkon water.)

3. Codziennie rano ___ kaktus, a mój partner też podlewa róże w ogrodzie.

(Elke ochtend ___ ik de cactus water en mijn partner giet ook de rozen in de tuin.)

4. Moja koleżanka z biura ___ nie podlewa roślin w weekend, dlatego że wtedy nie siedzi w pracy.

(Mijn collega van kantoor ___ in het weekend ook geen planten water, omdat ze dan niet op het werk is.)

Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Jesteś w sklepie ogrodniczym. Sprzedawca pyta, jaką roślinę chcesz do biura. Odpowiedz. (Użyj: „roślina”, „do biura”, „mało wody”)

(Je bent in een tuincentrum. De verkoper vraagt welke plant je voor op kantoor wilt. Antwoord. (Gebruik: "plant", "voor op kantoor", "weinig water") )

Ja chcę roślinę  

(Ik wil een plant ...)

Voorbeeld:

Ja chcę roślinę do biura, która potrzebuje mało wody.

(Ik wil een plant voor op kantoor die weinig water nodig heeft.)

2. Kolega w pracy widzi twoją roślinę na biurku i pyta, jak ją pielęgnujesz. Odpowiedz krótko. (Użyj: „podlewać”, „raz w tygodniu”, „okno”)

(Een collega op het werk ziet je plant op je bureau en vraagt hoe je hem verzorgt. Antwoord kort. (Gebruik: "water geven", "eens per week", "raam") )

Ja podlewam ją  

(Ik geef hem ...)

Voorbeeld:

Ja podlewam ją raz w tygodniu i stawiam przy oknie.

(Ik geef hem eens per week water en zet hem bij het raam.)

3. Jesteś w kwiaciarni. Chcesz kupić kwiat na prezent dla koleżanki. Powiedz, jaki kwiat chcesz. (Użyj: „róża”, „ładny”, „dla koleżanki”)

(Je bent in de bloemist. Je wilt een bloem kopen als cadeau voor een collega. Zeg welke bloem je wilt. (Gebruik: "roos", "mooi", "voor een collega") )

Poproszę różę  

(Mag ik een roos ...)

Voorbeeld:

Poproszę różę, bo to jest ładny kwiat dla koleżanki.

(Mag ik een roos, want dat is een mooie bloem voor een collega.)

4. Masz mały ogród przy domu. Rozmawiasz z sąsiadem i mówisz, co sadzisz w ogrodzie. Odpowiedz. (Użyj: „sadzić”, „kwiaty”, „trawa”)

(Je hebt een kleine tuin bij je huis. Je praat met de buurman en zegt wat je in de tuin plant. Antwoord. (Gebruik: "planten", "bloemen", "gras") )

Ja lubię sadzić  

(Ik plant graag ...)

Voorbeeld:

Ja lubię sadzić kwiaty i trawę w ogrodzie.

(Ik plant graag bloemen en leg gras in de tuin.)

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 3 of 4 zinnen over de planten in jouw huis of in jouw kantoor: waar staan ze, wie geeft ze water en hoe vaak.

Nuttige uitdrukkingen:

W domu / w biurze mam… / Moja ulubiona roślina to… / Podlewam rośliny w (dni tygodnia)… / Lubię rośliny, dlatego że…

Ćwiczenie 7: Gespreksoefening

Instrukcja:

  1. Powiedz, co widzisz w ogrodzie. (Zeg wat je in de tuin kunt zien.)
  2. Opisz swój własny lub wymarzony ogród. (Beschrijf je eigen of je ideale tuin.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

W ogrodzie są fioletowe kwiaty.

Er zijn paarse bloemen in de tuin.

Jest duże stare drzewo.

Er is een grote oude boom.

Mam żółte i różowe kwiaty w moim ogrodzie.

Ik heb gele en roze bloemen in mijn tuin.

Mam huśtawkę w ogrodzie dla moich dzieci.

Ik heb een schommel in mijn tuin voor mijn kinderen.

Nie mam kaktusów w moim ogrodzie.

Ik heb geen cactussen in mijn tuin.

Podlewam moje rośliny co 3 dni.

Ik water mijn planten elke 3 dagen.

...