Leer hoe je in het Pools over je familie praat met woorden als mama, tata, brat en siostra. Ontdek ook handige zinnen zoals "Mam siostrę i brata" en "Moja mama pracuje jako nauczycielka" om dagelijkse gesprekken te voeren.
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Kom de vertalingen overeen
Oefening 3: Clusteren van woorden
Instructie: Wijs de onderstaande woorden toe aan de juiste categorieën om hun betekenis en gebruik gemakkelijker te onthouden.
Najbliżsi członkowie rodziny
Inni członkowie rodziny
Ćwiczenie 4: Gespreksoefening
Instrukcja:
- Beschrijf de aangegeven relaties tussen de gezinsleden. (Beschrijf de aangegeven relaties tussen de familieleden.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
Juliette jest żoną Marka. Juliette is de vrouw van Mark. |
Alexis i Louise są dziadkami Anny. Alexis en Louise zijn de grootouders van Anna. |
Marco jest synem Birgit i Stephana. Marco is de zoon van Birgit en Stephan. |
Chłopiec i dziewczyna są rodzeństwem. De jongen en het meisje zijn broer en zus. |
Caitlin jest matką dwóch dziewczynek. Caitlin is de moeder van twee meisjes. |
Dziewczyna ma dwóch braci. Het meisje heeft twee broers. |
... |
Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Mam dwie siostry i ___ .
(Ik heb twee zussen en ___ .)2. Mój brat ___ w biurze w centrum miasta.
(Mijn broer ___ op een kantoor in het stadscentrum.)3. Czy twoja siostra ___ w Polsce?
(Woont jouw zus ___ in Polen?)4. Nasza rodzina ___ czas razem w weekendy.
(Onze familie ___ tijd samen door in het weekend.)Oefening 7: Mijn familie
Instructie:
Werkwoordschema's
Mieć - Hebben
Teraźniejszy
- Ja mam
- Ty masz
- On/Ona/Ono ma
- My mamy
- Wy macie
- Oni/One mają
Pracować - Werken
Teraźniejszy
- Ja pracuję
- Ty pracujesz
- On/Ona/Ono pracuje
- My pracujemy
- Wy pracujecie
- Oni/One pracują
Chodzić - Gaan
Teraźniejszy
- Ja chodzę
- Ty chodzisz
- On/Ona/Ono chodzi
- My chodzimy
- Wy chodzicie
- Oni/One chodzą
Spotykać się - Ontmoeten
Teraźniejszy
- Ja spotykam się
- Ty spotykasz się
- On/Ona/Ono spotyka się
- My spotykamy się
- Wy spotykacie się
- Oni/One spotykają się
Rozmawiać - Praten
Teraźniejszy
- Ja rozmawiam
- Ty rozmawiasz
- On/Ona/Ono rozmawia
- My rozmawiamy
- Wy rozmawiacie
- Oni/One rozmawiają
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Pools oefenen? Dat is mogelijk! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Lesintroductie: Familie in het Pools
Deze les richt zich op het leren van essentiële woorden en uitdrukkingen rondom het thema familie in het Pools. Het niveau is A1, geschikt voor beginners die basiswoordenschat en zinnen willen beheersen om over hun gezin en familie te spreken.
Wat leer je in deze les?
- Belangrijke familieleden benoemen, zoals mama, tata (vader), brat (broer), siostra (zus) en dziecko (kind).
- Zinnen maken om te vertellen over familie, bijvoorbeeld „Mam siostrę i brata.” (Ik heb een zus en een broer.)
- Veelgebruikte werkwoorden in de tegenwoordige tijd die met familie te maken hebben, zoals mieć (hebben), pracować (werken), mieszkać (wonen), spotykać się (afspreken) en rozmawiać (praten).
- Dialogen oefenen waarmee je kunt voorstellen en vragen naar familierelaties, bijvoorbeeld bij ontmoetingen of telefoongesprekken.
Belangrijke woordclusters
Om de woordenschat beter te onthouden, worden familieleden in categorieën verdeeld:
- Naaste familieleden: mama, tata, brat, siostra, dziecko
- Andere familieleden: dziadek (opa), babcia (oma), wujek (oom)
Specifieke kenmerken van het Pools in vergelijking met het Nederlands
In het Pools is het gebruikelijk om de familierelaties te verbuigen afhankelijk van de grammaticale functie in de zin, wat in het Nederlands niet voorkomt. Bijvoorbeeld, brat kan veranderen in brata in de lijdende vorm. Ook zijn formele vragen en aanspreekvormen belangrijk, zoals het gebruik van czy om een ja/nee-vraag te beginnen, bijvoorbeeld „Czy masz dzieci?” (Heb jij kinderen?).
Enkele handige woorden en hun Nederlandse equivalenten:
- Mama – moeder
- Tata – vader
- Brat – broer
- Siostra – zus
- Dziecko – kind
- Dziadek – grootvader (opa)
- Babcia – grootmoeder (oma)
- Wujek – oom
Voorbeeldzinnen om te oefenen
- „Mam dwie siostry i brata.” – Ik heb twee zussen en een broer.
- „Moja mama pracuje jako nauczycielka.” – Mijn moeder werkt als lerares.
- „Czy masz dzieci?” – Heb je kinderen?
- „Opowiedz mi o swojej rodzinie.” – Vertel me over je familie.
Gebruik deze zinnen om zelf te oefenen en te kunnen communiceren over je eigen familie binnen alledaagse situaties.