A1.5 - Familie
Haal je boekStel jezelf voor en vertel over je familie.
Vraag iemand naar zijn of haar familie. (grootte, structuur, ... )
Leer de belangrijkste woorden en werkwoorden die je voor deze les nodig zult hebben.
Paweł bezoekt Magda voor het eerst in haar huis. Samen bekijken ze de foto's aan de muur en praten ze over haar familie.
Bezpośrednie zaimki dzierżawcze w języku polskim to np. mój, twój, jego, jej itd.
Breng in de praktijk wat je hebt geleerd.