Voorzetsels van tijd: za, w, przez, od, o

Przyimki czasu: za, w, przez, od, o


Przyimki czasu w języku polskim to: w, za, od, do, przez, przed, po, o.

(Tijdvoorzetsels in het Pools zijn: w, za, od, do, przez, przed, po, o.)

Tijdsvoorzetsels: welk woord past bij welk tijdstype?

In het Pools kies je het voorzetsel vooral op basis van het soort tijd:

  • punt in de tijd (exact uur) → o
  • dag / moment (maandag, weekend, vakantieperiode) → vaak w
  • startod
  • einde / totdo
  • duur (hoe lang?)przez
  • voor / na een moment → przed / po
  • over (in … tijd)za

O = om (exacte tijd)

  • Gebruik o bij een kloktijd.
Pols Nederlands
O 10:00 mam spotkanie. Om 10:00 heb ik een afspraak.
O drugiej mam telefon. Om twee uur heb ik een telefoontje.

Let op: W 10:00 is hier fout. Bij een uur gebruik je o.

W = op / in (dag of moment)

  • Gebruik w bij dagen en vaak bij een tijdsvak als ‘weekend’.
Pols Nederlands
W poniedziałek idę do pracy. Op maandag ga ik naar het werk.
W weekend jestem w domu. In het weekend ben ik thuis.

Tip: denk aan Nederlands op maandag / in het weekend → vaak w.

Od … do … = van … tot … (begin en eind)

  • od = startpunt (vanaf)
  • do = eindpunt (tot)
  • Samen maken ze een duidelijke tijdlijn: od … do …
Pols Nederlands
Od rana jestem w biurze. Vanaf de ochtend ben ik op kantoor.
Pracuję do piątej. Ik werk tot vijf uur.
Jestem w pracy od 9:00 do 17:00. Ik ben op het werk van 9:00 tot 17:00.

Veelgemaakte fout: od 9 do 17 w pracy → beter: Jestem w pracy od 9 do 17.

Przez = gedurende (de hele duur)

  • Gebruik przez als je antwoord geeft op: hoe lang?
  • Vaak met cały / całą (= hele).
Pols Nederlands
Przez cały tydzień mam wolne. De hele week ben ik vrij.
Przez dwie godziny pracuję w domu. Twee uur lang werk ik thuis.

Check: als je “gedurende / … lang” kunt zeggen → meestal przez.

Za = over (na zoveel tijd, vanaf nu)

  • Gebruik za voor: over X tijd (iets gebeurt later).
Pols Nederlands
Za godzinę mam egzamin. Over een uur heb ik een examen.
Za dwa dni mam urlop. Over twee dagen heb ik vakantie.

Verschil met “przez”: za = wanneer begint het? / przez = hoe lang duurt het?

Przed / po = vóór / na (een referentiemoment)

  • przed = vóór een moment
  • po = na een moment
Pols Nederlands
Przed snem czytam książkę. Voor het slapen lees ik een boek.
Po obiedzie robię drzemkę. Na het eten doe ik een dutje.

Snelle zelfcheck (kies in 3 stappen)

  1. Is het een kloktijd?o (o 9:00)
  2. Gaat het om begin/einde?od / do (od rana, do piątej)
  3. Gaat het om duur of afstand in tijd?
    • hoe lang?przez (przez tydzień)
    • over hoeveel tijd (vanaf nu)?za (za godzinę)

Bonus: dag/moment zoals maandag → meestal w (w poniedziałek).

Przyimek (Voorzetsel)Przykład (Voorbeeld)
w (op/in)W poniedziałek idę do pracy. (Op maandag ga ik naar het werk.)
za (over (na))Za godzinę mam egzamin. (Over een uur heb ik een examen.)
od (vanaf)Od rana jestem w biurze. (Vanaf de ochtend ben ik op kantoor.)
do (tot)Pracuję do piątej. (Ik werk tot vijf uur.)
przez (gedurende)Przez cały tydzień mam wolne. (De hele week heb ik vrij.)
przed (voor)Przed snem czytam książkę. (Voor het slapen lees ik een boek.)
po (na)Po obiedzie robię drzemkę. (Na de lunch doe ik een dutje.)
o (om)Mam spotkanie o 10 rano. (Ik heb een afspraak om 10 uur ’s ochtends.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. ___ poniedziałek pracuję w biurze.

___ maandag werk ik op kantoor.

2. Mam spotkanie ___ 10 rano.

Ik heb een afspraak ___ 10 uur 's ochtends.

3. ___ rana jestem w pracy.

___ vanochtend ben ik op het werk.

4. ___ cały weekend jestem w domu.

___ het hele weekend ben ik thuis.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zin en voeg het juiste tijdvoorzetsel (in, over, vanaf, tot, door, voor, na, om) toe zodat er één correcte zin ontstaat.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (w) Poniedziałek idę do pracy.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    W poniedziałek idę do pracy.
    (Op maandag ga ik naar mijn werk.)
  2. Hint Hint (za) Godzinę mam egzamin.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Za godzinę mam egzamin.
    (Over een uur heb ik een toets.)
  3. Hint Hint (od) Rana jestem w biurze.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Od rana jestem w biurze.
    (Vanaf de ochtend ben ik op kantoor.)
  4. Hint Hint (do) Pracuję piątej.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Pracuję do piątej.
    (Ik werk tot vijf uur.)
  5. Hint Hint (przez) Cały tydzień mam wolne.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Przez cały tydzień mam wolne.
    (De hele week ben ik vrij.)
  6. Hint Hint (o) 10:00 mam spotkanie.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    O 10:00 mam spotkanie.
    (Om 10:00 heb ik een afspraak.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek het en maak een gezamenlijk plan voor de week en het weekend.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
W biurze planujecie grafik tygodniowy i godziny spotkań zespołu.
(Op kantoor plannen jullie het weekrooster en de tijden van teamvergaderingen.)

Bespreek
  • Kiedy macie najwięcej pracy: rano czy popołudniu i dlaczego? (Wanneer hebben jullie het meeste werk: ’s ochtends of ’s middags, en waarom?)
  • O której godzinie zorganizujecie spotkanie w poniedziałek lub wtorek? Uzasadnijcie wybór: wcześnie czy późno?","Kto jest dostępny od rana, a kto dopiero wieczorem?","Co robicie przez weekend: śpicie, robicie zakupy czy odpoczywacie?"], (Hoe laat plannen jullie een vergadering op maandag of dinsdag? Motiveer jullie keuze: vroeg of laat?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • W poniedziałek mam czas rano. (Op maandag heb ik ’s ochtends tijd.)
  • Mam spotkanie o 10. (Ik heb een afspraak om 10 uur.)
  • Od rana do południa pracuję w biurze. (Van ’s ochtends tot ’s middags werk ik op kantoor.)

Gebruik in gesprek
  • w + dzień tygodnia (op + dag van de week)
  • o + godzina (om + uur)
  • od … do … / przez … / za + czas (van ... tot ... / gedurende ... / over + tijd)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Joanna Majchrowska

Master Spaanse filologie

University of Lodz

University_Logo

Polen


Laatst bijgewerkt:

donderdag, 12/03/2026 05:48