In deze les leer je praktische Pools vocabulaire over het weer, zoals słońce (zon), deszcz (regen), wiatr (wind) en ciepło (warm). Je oefent met alledaagse zinnen om het weer te beschrijven, zoals „Dzisiaj jest słonecznie i ciepło” en „Czy pada deszcz?”.
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Kom de vertalingen overeen
Oefening 3: Clusteren van woorden
Instructie: Wijs de onderstaande woorden toe aan twee categorieën die verschillende weersverschijnselen beschrijven.
Słoneczna pogoda
Deszczowa pogoda
Ćwiczenie 4: Gespreksoefening
Instrukcja:
- Vertel wat voor weer het is op de foto. (Vertel wat voor weer het is op de foto.)
- Vertel wat voor weer het momenteel is in jouw stad. (Vertel wat voor weer het nu is in jouw stad.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Dzisiaj ___ deszcz i jest zimno.
(Vandaag ___ het en het is koud.)2. Jutro ___ słonecznie i ciepło.
(Morgen ___ het zonnig en warm.)3. Zazwyczaj wiosną kwiaty ___ i robi się zielono.
(Meestal ___ de bloemen in de lente en wordt het groen.)4. W zimie ___ śnieg i jest mroźno.
(In de winter ___ er sneeuw en het is koud.)Oefening 7: Weer op het werk en thuis
Instructie:
Werkwoordschema's
Wstać - Opstaan
Czas przeszły
- ja wstałem
- ty wstałeś
- on/ona/ono wstał
- my wstaliśmy
- wy wstaliście
- oni/one wstali
Świecić - Schijnen
Czas teraźniejszy
- ja świecę
- ty świecisz
- on/ona/ono świeci
- my świecimy
- wy świecicie
- oni/one świecą
Sprawiać - Zorgen
Czas teraźniejszy
- ja sprawiam
- ty sprawiasz
- on/ona/ono sprawia
- my sprawiamy
- wy sprawiacie
- oni/one sprawiają
Mieć - Zijn
Czas teraźniejszy
- ja mam
- ty masz
- on/ona/ono ma
- my mamy
- wy macie
- oni/one mają
Mówić - Zeggen
Czas teraźniejszy
- ja mówię
- ty mówisz
- on/ona/ono mówi
- my mówimy
- wy mówicie
- oni/one mówią
Padać - Regenen
Tryb przypuszczający
- ja mógłbym padać
- ty mógłbyś padać
- on/ona/ono mógł/mogłaby/mogło padać
- my moglibyśmy padać
- wy moglibyście padać
- oni/one mogliby padać
Planować - Van plan zijn
Czas teraźniejszy
- ja planuję
- ty planujesz
- on/ona/ono planuje
- my planujemy
- wy planujecie
- oni/one planują
Być - Zijn
Czas przyszły
- ja będę
- ty będziesz
- on/ona/ono będzie
- my będziemy
- wy będziecie
- oni/one będą
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Pools oefenen? Dat is mogelijk! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.
De les over het weer in het Pools
In deze les leer je basiswoordenschat en zinnen die te maken hebben met het weer. Dit is een belangrijke thema voor beginners (niveau A1) om eenvoudige gesprekken te voeren over dagelijkse situaties, zoals het bespreken van het weer thuis, op het werk of tijdens een wandeling.
Wat leer je in deze les?
- Basale woorden en uitdrukkingen over verschillende weersomstandigheden, bijvoorbeeld: s42onecznie (zonnig), ciep42o (warm), deszcz (regen), wiatr (wind), zimno (koud).
- Hoe je eenvoudige vragen stelt en beantwoordt over het weer, zoals: "Jaka jest dzi5b pogoda?" (Hoe is het weer vandaag?) en "Czy pada deszcz?" (Regent het?).
- Basiswerkwoordvervoegingen die nodig zijn in context van het weer, bijvoorbeeld het werkwoord "pada07" (regenen) en "by07" (zijn) in verschillende tijden.
- Korte dialogen waarmee je kunt oefenen om in het Pools over het weer te spreken in alledaagse situaties.
Handige woordenschat en uitdrukkingen
Je leert woorden die je kunt indelen in categorie50n zoals "S42oneczna pogoda" (zonnig weer) met woorden als s42o44ce (zon), ciep42o (warmte), en "Deszczowa pogoda" (regenachtig weer) met woorden als deszcz (regen), chmura (wolk), wiatr (wind), zimno (koud). Daarnaast komen zinnen voor die verschillende weersomstandigheden beschrijven, bijvoorbeeld "Dzisiaj jest s42onecznie i ciep42o." (Vandaag is het zonnig en warm) of "Nie, nie pada, ale jest troch19 ch42odno." (Nee, het regent niet, maar het is een beetje fris).
Praktische tips over het Pools en het Nederlands
In tegenstelling tot het Nederlands gebruikt het Pools vaak verschillende werkwoordstijden die voor een beginner anders aanvoelen. Zo wordt het weer meestal in de tegenwoordige tijd of toekomende tijd uitgedrukt. De vraagvormen zijn eveneens anders opgebouwd dan in het Nederlands. Bijvoorbeeld, "Jaka jest dzi5b pogoda?" vertaalt naar "Hoe is het weer vandaag?" waarbij het Poolse werkwoord meestal aan het begin van de zin komt en het onderwerp volgt. Bovendien kent het Pools geslacht en vormt dit van invloed op bijvoeglijke naamwoorden zoals "s42onecznie" (zonnig) en "ciep42o" (warm). Veel van de tijd zijn woorden ook onzijdig en ongewijzigd qua vorm, wat het iets eenvoudiger maakt dan sommige Nederlandse vertalingen die in geslacht en getal vari50ren.
Enkele nuttige Poolse uitdrukkingen met Nederlandse equivalenten:
- Jaka jest dzi5b pogoda? - Hoe is het weer vandaag?
- Czy pada deszcz? - Regent het?
- Dzisiaj jest s42onecznie i ciep42o. - Het is vandaag zonnig en warm.
- Nie, nie pada, ale jest troch19 ch42odno. - Nee, het regent niet, maar het is een beetje fris.