Voorzetsels van plaats: na stole, pod łóżkiem

Przyimki miejsca: na stole, pod łóżkiem


Przyimków miejsca w, na, przy, pod, nad, za, między, przed używamy by powiedzieć gdzie się coś znajduje.

(We gebruiken plaatsvoorzetsels w, na, przy, pod, nad, za, między, przed om te zeggen waar iets zich bevindt.)

Wanneer gebruik je miejscownik of narzędnik?

In deze les gaat het om plaats (waar iets is) zonder beweging.

  • miejscownik (locatief) na: w, na, przy
  • narzędnik (instrumentalis) na: pod, nad, za, między, przed

Signaalwoord: meestal met jest / są / stoi / leży / wisi (is/zijn, staat, ligt, hangt).

Snelle keuzehulp (1 vraag)

  1. Is er beweging?
    • Nee → gebruik de naamval uit de tabel (miejscownik of narzędnik).
    • Ja → dit is een ander onderwerp (vaak accusatief/genitief). Check: als je kunt vragen “waarheen?”, dan is het beweging.

Betekenis per voorzetsel (denk in beelden)

Voorzetsel Beeld / vraag Voorbeeld (PL → NL)
w + miejscownik in (binnenin) Książka jest w torbie. → Het boek zit in de tas.
na + miejscownik op (oppervlak) Kawa stoi na stole. → De koffie staat op tafel.
przy + miejscownik bij / naast (direct in de buurt) Krzesło stoi przy biurku. → De stoel staat bij het bureau.
pod + narzędnik onder Kot śpi pod łóżkiem. → De kat slaapt onder het bed.
nad + narzędnik boven (zonder aanraken) Samolot leci nad miastem. → Het vliegtuig vliegt boven de stad.
za + narzędnik achter Kurtka wisi za drzwiami. → De jas hangt achter de deur.
między + narzędnik tussen Ławka stoi między drzewami. → De bank staat tussen de bomen.
przed + narzędnik voor Samochód stoi przed domem. → De auto staat voor het huis.

Waar let je op in de woordvorm (handige patronen)

Je hoeft niet alle naamvallen “uit het hoofd” te kennen, maar deze patronen helpen enorm.

  • miejscownik zie je vaak als: -ie / -e / -u
    • w torbie, w kuchni, na stole
  • narzędnik zie je vaak als: -em (m.) of (v.)
    • przed domem, pod łóżkiem, między drzewami

Mini-check: zie je -em / -ą / -ami? Dan zit je vaak goed met pod/nad/za/między/przed.

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze vermijdt)

  • Verkeerde naamval na het voorzetsel
    • Kawa stoi na stół.Kawa stoi na stole.
    • Kot śpi pod łóżko.Kot śpi pod łóżkiem.
  • “przy” verwarren met “na”
    • na biurku = op het bureau (oppervlak)
    • przy biurku = bij het bureau (ernaast/erbij)
  • “w” vs “na” als Nederlands “in”
    • w = binnenin: w torbie
    • na = op een oppervlak: na stole

Zelfcheck (kun je dit al?)

  1. Kun je bij elk zinnetje eerst denken: geen beweging?
  2. Kies je daarna automatisch de groep?
    • w/na/przy → miejscownik
    • pod/nad/za/między/przed → narzędnik
  3. Check je tot slot de vorm: -ie/-e/-u of -em/-ą/-ami?
  1. De locatief en de instrumentalis worden gebruikt als er geen beweging is.
Przyimek (Voorzetsel)Przypadek rzeczownika po przyimku (Naamval van het zelfstandig naamwoord na het voorzetsel)Przykład zdania (Voorbeeldzin)
w (in)miejscownik (locatief)Książka jest w torbie. (Het boek is in de tas.)
na (op)miejscownik (locatief)Kawa stoi na stole. (De koffie staat op de tafel.)
przy (bij)miejscownik (locatief)Krzesło stoi przy biurku. (De stoel staat bij het bureau.)
pod (onder)narzędnik (instrumentalis)Kot śpi pod łóżkiem. (De kat slaapt onder het bed.)
nad (boven)narzędnik (instrumentalis) leci nad miastem. ( vliegt boven de stad.)
za (achter)narzędnik (instrumentalis)Kurtka wisi za drzwiami. (De jas hangt achter de deur.)
między (tussen)narzędnik (instrumentalis)Ławka stoi między drzewami. (De bank staat tussen de bomen.)
przed (voor)narzędnik (instrumentalis)Samochód stoi przed domem. (De auto staat voor het huis.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Kawa stoi ___ w kuchni.

Kawa stoi ___ w kuchni.

2. Dywan jest ___ w sypialni.

Dywan jest ___ w sypialni.

3. Lampa stoi ___ w salonie.

Lampa stoi ___ w salonie.

4. Szafa jest ___ a drzwiami.

Szafa jest ___ a drzwiami.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het gegeven plaatsvoorzetsel en de juiste naamvalsvorm van het zelfstandig naamwoord (plaatsvorm na: in / op / bij; instrumentalis na: onder / boven / achter / tussen / voor).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (na) Laptop jest ____ biurko.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Laptop jest na biurku.
    (Laptop ligt op het bureau.)
  2. Hint Hint (na) Torba jest ____ krzesło.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Torba jest na krześle.
    (De tas ligt op de stoel.)
  3. Hint Hint (w) Klucze są ____ kieszeń.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Klucze są w kieszeni.
    (De sleutels zitten in de zak.)
  4. Hint Hint (przed) Auto stoi ____ dom.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Auto stoi przed domem.
    (De auto staat voor het huis.)
  5. Hint Hint (pod) Kot śpi ____ łóżko.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Kot śpi pod łóżkiem.
    (De kat slaapt onder het bed.)
  6. Hint Hint (między) Ławka jest ____ dwa drzewa.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ławka jest między dwoma drzewami.
    (De bank staat tussen twee bomen.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Beschrijf in het paar waar de meubels staan en wat er verplaatst moet worden.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Wprowadzasz się do mieszkania i ustawiasz meble w nowej sypialni.
(Je trekt in een appartement en richt meubels in de nieuwe slaapkamer in.)

Bespreek
  • Gdzie jest łóżko, szafa i biurko w pokoju? (Waar staan het bed, de kast en het bureau in de kamer?)
  • Co jest na stole, pod łóżkiem lub przy oknie? Dlaczego? (Wat staat er op de tafel, onder het bed of bij het raam? Waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Lampa jest na biurku. (De lamp staat op het bureau.)
  • Dywan jest pod łóżkiem. (Het vloerkleed ligt onder het bed.)
  • Szafa jest przy drzwiach. (De kast staat bij de deur.)

Gebruik in gesprek
  • na + miejscownik (na + plaatsnaam)
  • w + miejscownik (in + plaatsnaam)
  • pod + narzędnik (onder + instrumentalis)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Joanna Majchrowska

Master Spaanse filologie

University of Lodz

University_Logo

Polen


Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/03/2026 12:28