Słownictwo (20)
Vertrekken (wyjechać)
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
| (ik) vertrek |
| (jij/je) vertrekt |
| (hij/zij/ze/het) vertrekt |
| (wij/we) vertrekken |
| (jullie) vertrekken |
| (zij/ze) vertrekken |
Aankomen (przytyć)
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
| (ik) kom aan |
| (jij/je) komt aan |
| (hij/zij/ze/het) komt aan |
| (wij/we) komen aan |
| (jullie) komen aan |
| (zij/ze) komen aan |