Het woord 'er' wordt gebruikt om de aanwezigheid van iets aan te geven, terwijl 'daar' een specifieke locatie aanduidt.
(Słowo
- 'Er' wskazuje na istnienie lub obecność czegoś, na przykład w zdaniu 'Er is een stoel.'
- 'Daar' odnosi się do konkretnego miejsca, na przykład w zdaniu 'Daar staat de tafel.'
- 'Er' jest często używane jako zaimek zastępczy w zdaniach z nieokreślonym podmiotem.
| Er is + onbepaald lidwoord | Er is een stoel in de kamer. |
| Er zijn + meervoud | Er zijn 2 slaapkamers. |
| Daar + werkwoord + onderwerp | Daar ligt mijn jas. Daar woont mijn oma. |
Ćwiczenie 1: Wielokrotny wybór
Instrukcja: Wybierz poprawną odpowiedź
1. ___ zijn twee slaapkamers en een grote woonkamer in dit appartement.
___ zijn twee slaapkamers en een grote woonkamer in dit appartement.)2. ___ staat de bank en daar is de deur naar de tuin.
___ staat de bank en daar is de deur naar de tuin.)3. ___ is een kleine gang en daarna kom je in de woonkamer.
___ is een kleine gang en daarna kom je in de woonkamer.)4. ___ is de keuken en er is ook een kleine eettafel.
___ is de keuken en er is ook een kleine eettafel.)Ćwiczenie 2: Przepisz zwroty
Instrukcja: Przekształć zdania z „er is” / „er zijn” lub „daar” + czasownik + podmiot tak, aby było jasne, czy coś występuje ogólnie (er is/er zijn), czy znajduje się/leży/mieszka w określonym miejscu (daar + czasownik + podmiot). Uwaga: liczbą pojedynczą używamy er is, liczbą mnogą er zijn.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleEr is een tafel in de keuken.(Er is een tafel in de keuken.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleEr zijn twee stoelen in de woonkamer.(Er zijn twee stoelen in de woonkamer.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDaar woont mijn oma.(Daar woont mijn oma.)
-
Er is een kleine supermarkt op de hoek van de straat.⇒ _______________________________________________ ExampleEr is een kleine supermarkt op de hoek van de straat.(Er is een kleine supermarkt op de hoek van de straat.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDaar staan de koffers.(Daar staan de koffers.)
Ćwiczenie 3: Gramatyka w praktyce
Instrukcja: Opisz krótko swój dom i zadaj pytania o dom swojego kolegi.
- Welke kamers zijn er in jouw huis? (Jakie pokoje są w twoim domu?)
- Wat is er in de keuken, de woonkamer en de slaapkamer? Beschrijf kort (1–2 zinnen). (Co znajduje się w kuchni, w salonie i w sypialni? Opisz krótko (1–2 zdania).)
- Er is een badkamer boven. (Er is een badkamer boven.)
- Er zijn twee slaapkamers. (Er zijn twee slaapkamers.)
- Daar staat de eettafel in de keuken. (Daar staat de eettafel in de keuken.)
- Er is + onbepaald lidwoord (Er is + nieokreślony rodzajnik)
- Er zijn + meervoud (Er zijn + liczba mnoga)
- Daar + werkwoord + onderwerp (Daar + czasownik + podmiot)