Vocabulary (22)
Overhouden (to remain)
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
| (ik) houd over |
| (jij/je) houdt over |
| (hij/zij/ze/het) houdt over |
| (wij/we) houden over |
| (jullie) houden over |
| (zij/ze) houden over |
Ordenen op (to sort by)
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
| (ik) orden op |
| (jij/je) ordent op |
| (hij/zij/ze/het) ordent op |
| (wij/we) ordenen op |
| (jullie) ordenen op |
| (zij/ze) ordenen op |