Vocabulary (22)
Voorspellen (to predict)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb voorspeld |
| (jij/je) hebt voorspeld |
| (hij/zij/ze/het) heeft voorspeld |
| (wij/we) hebben voorspeld |
| (jullie) hebben voorspeld |
| (zij/ze) hebben voorspeld |
Verdwijnen (to disappear)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) ben verdwenen |
| (jij/je) bent verdwenen |
| (hij/zij/ze/het) is verdwenen |
| (wij/we) zijn verdwenen |
| (jullie) zijn verdwenen |
| (zij/ze) zijn verdwenen |