Vocabulary (22)
Benoemen tot (to appoint)
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
| (ik) benoem tot |
| (jij/je) benoemt tot |
| (hij/zij/ze/het) benoemt tot |
| (wij/we) benoemen tot |
| (jullie) benoemen tot |
| (zij/ze) benoemen tot |
Beschikken over (to dispose over)
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
| (ik) beschik over |
| (jij/je) beschikt over |
| (hij/zij/ze/het) beschikt over |
| (wij/we) beschikken over |
| (jullie) beschikken over |
| (zij/ze) beschikken over |