Impara ad usare le principali espressioni di accordo e disaccordo.

(Leer de belangrijkste uitdrukkingen om akkoord en niet-akkoord uit te drukken.)

1. Waarvoor gebruik je deze uitdrukkingen?

  • Feiten bevestigen of ontkennen:
    Sì, è vero… / No, non è vero…
  • Een voorstel accepteren:
    Sì, va bene…
  • Een mening steunen:
    Hai ragione… / Sono d’accordo…
  • Beleefd tegenspreken:
    Non sono d’accordo…

In gesprekken op het werk heb je al deze functies nodig: je wilt vaak snel zeggen of je het (niet) eens bent.

2. Drie soorten situaties: feit, voorstel, mening

SITUATIE ITALIAANS NEDERLANDS
Feit
(waar / niet waar)
Sì, è vero
No, non è vero
Ja, dat klopt
Nee, dat is niet waar
Voorstel Sì, va bene Ja, prima / dat is goed
Mening Hai ragione
Sono d’accordo
Non sono d’accordo
Je hebt gelijk
Ik ben het (ermee) eens
Ik ben het er niet mee eens
  • Vraag jezelf altijd af: gaat het om feit, voorstel of mening?
  • Kies daarna de bijpassende Italiaanse uitdrukking.

3. Belangrijk verschil: “Sì, è vero” vs. “Sì, va bene”

  • Sì, è vero = je bevestigt een feit.
    • Sì, è vero, il progetto è in ritardo.
      Ja, dat klopt, het project heeft vertraging.
  • Sì, va bene = je accepteert een voorstel of een afspraak.
    • Sì, va bene, spostiamo la riunione.
      Ja, prima, laten we de vergadering verplaatsen.

Zelfcheck: zeg je “klopt het?” → gebruik è vero. Zeg je “is het oké?” → gebruik va bene.

4. Belangrijk verschil: “Hai ragione” vs. “Sono d’accordo”

  • Hai ragione = je zegt letterlijk: jij hebt gelijk.
    • Je bevestigt iemand anders zijn/haar mening.
    • Hai ragione, serve più tempo.
      Je hebt gelijk, er is meer tijd nodig.
  • Sono d’accordo = je zegt: ik ben het eens.
    • Je geeft aan dat jouw mening hetzelfde is.
    • Sono d’accordo, serve più tempo.
      Ik ben het ermee eens, er is meer tijd nodig.

In veel situaties kun je beide gebruiken. Het verschil is vooral focus:

  • Hai ragione → focus op de ander: “jij hebt gelijk”.
  • Sono d’accordo → focus op jezelf: “ik ben het eens”.

5. Hoe maak je beleefd onenigheid?

  • Gebruik voor beleefd disaccordo: Non sono d’accordo…
  • Je kunt daarna uitleggen wat je denkt.
ITALIAANS NEDERLANDS
Non sono d’accordo, serve più tempo. Ik ben het er niet mee eens, er is meer tijd nodig.
Non sono d’accordo: abbiamo abbastanza risorse. Ik ben het er niet mee eens: we hebben genoeg middelen.

Let op: zeg niet No, sono d’accordo. Dat is tegenstrijdig (nee + ik ben het eens).

6. Let op met “sì” en “no” in dezelfde zin

Een veelgemaakte fout is het combineren van (instemming) en een ontkenning in het Italiaans die inhoudelijk niet past.

  • Sì, non è vero, il progetto è finito.
    Dit is tegenstrijdig: (ja) + non è vero (het is niet waar).
  • Correct is bijvoorbeeld:
    • Sì, è vero, il progetto è finito.
    • No, non è vero, il progetto non è finito.

Tip: controleer of en de rest van de zin allebei “ja / akkoord” betekenen. Zo niet, dan klopt de zin niet.

7. Typische combinaties (chunks) om te onthouden

Leer deze uitdrukkingen als vaste blokken. Zo hoef je niet te twijfelen tijdens een gesprek.

  • Sì, è vero, … → akkoord met een feit.
    • Sì, è vero, il cliente è molto soddisfatto.
  • No, non è vero, … → feit ontkennen.
    • No, non è vero, ho mandato l’e-mail ieri.
  • Sì, va bene, … → voorstel accepteren.
    • Sì, va bene, iniziamo ora.
  • Hai ragione, … → instemmen met een mening.
    • Hai ragione, questo report è troppo lungo.
  • Sono d’accordo, … → eigen instemming.
    • Sono d’accordo, il collega è molto autonomo.
  • Non sono d’accordo, … → beleefde onenigheid.
    • Non sono d’accordo, serve un’altra riunione.

8. Korte stappen-check: welke uitdrukking kies je?

  1. Stap 1 – Wat hoor je?
    • Een feit? (iets is waar / niet waar)
    • Een voorstel? (iets doen / plannen)
    • Een mening? (ik vind dat…)
  2. Stap 2 – Ben je het eens of niet?
    • Eens → sì / hai ragione / sono d’accordo
    • Niet eens → no / non è vero / non sono d’accordo
  3. Stap 3 – Kies de formule
    • Feit + eensSì, è vero, …
    • Feit + niet eensNo, non è vero, …
    • Voorstel + eensSì, va bene, …
    • Mening + eensHai ragione, … of Sono d’accordo, …
    • Mening + niet eensNon sono d’accordo, …

9. Zelftest: begrijp je de logica?

Beantwoord voor jezelf, zonder te spieken. Als je twijfelt, ga terug naar de tabel bovenaan.

  1. Iemand zegt: “Il progetto è in ritardo.” Je bent het ermee eens.
    → Zeg je eerder Sì, è vero of Sì, va bene? Waarom?
  2. Iemand vraagt: “Possiamo chiudere la riunione adesso?” Je vindt dat goed.
    → Welke formule past? Sì, va bene, …
  3. Een collega zegt: “Per me non serve un altro report.” Jij vindt van wel.
    → Begin je antwoord met Non sono d’accordo, … of No, non è vero, …? Wat klinkt beleefder?
  4. Iemand zegt: “Secondo me Marco è molto autonomo.” Je wilt de persoon bevestigen.
    → Zeg je Hai ragione of No, non è vero?

Als je bij elke vraag bewust kunt uitleggen waarom je een uitdrukking kiest, beheers je dit onderdeel goed.

  1. Uitdrukkingen met "sì", "hai ragione", "sono d'accordo" worden gebruikt om akkoord uit te drukken.
  2. Uitdrukkingen met "no", "non" worden gebruikt om niet-akkoord uit te drukken.
Espressione (Uitdrukking)Uso (Gebruik)Esempio (Voorbeeld)
Sì, è veroAccordo con un fatto (Akkoord met een feit)Sì, è vero, il progetto è finito.
Sì, va beneAccordo con una proposta (Akkoord met een voorstel)Sì, va bene, iniziamo ora.
Hai ragioneAccordo su un punto di vista (Akkoord met een standpunt)Hai ragione, serve autonomia.
Sono d’accordoAdesione a un'opinione (Instemming met een mening)Sono d’accordo con la valutazione.
Non sono d’accordoDisaccordo educato (Beleefd niet-akkoord)Non sono d’accordo, serve più tempo.
No, non è veroNegazione di un fatto (Ontkenning van een feit)No, non è vero, era una responsabilità tua.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. «Secondo me Marco non gestisce bene le priorità.» – «___, spesso il progetto resta in attesa troppo tempo.»

«Volgens mij stelt Marco de prioriteiten niet goed vast.» – «___, het project blijft vaak te lang liggen.»)

2. «Possiamo spostare la riunione di valutazione a domani?» – «___, aggiorno subito l’agenda.»

«Kunnen we de beoordelingsvergadering naar morgen verplaatsen?» – «___, ik werk de agenda meteen bij.»)

3. «Tu sei responsabile per il ritardo del progetto.» – «___, ho delegato il compito ieri.»

«Jij bent verantwoordelijk voor de vertraging van het project.» – «___, ik heb de taak gisteren gedelegeerd.»)

4. «Per questo incarico servono più persone autonome.» – «___, il nostro sistema ora è troppo lento.»

«Voor deze opdracht zijn meer zelfstandige mensen nodig.» – «___, ons systeem is nu te traag.»)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de zin met de juiste uitdrukking van instemming of afkeuring.

1.
'Nee' tegenspreekt 'dat klopt' en drukt geen instemming uit.
Incoherente combinatie van 'Ja' en 'dat is niet waar'.
2.
Contextuele fout: de zin is mogelijk, maar hier wil men instemmen met de nood aan meer tijd, niet zelfstandigheid.
'Nee' drukt afkeur uit, terwijl 'Je hebt gelijk' instemming aangeeft.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met een uitdrukking van instemming of verzet (Ja, dat klopt / Ja, prima / Je hebt gelijk / Ik ben het ermee eens / Ik ben het er niet mee eens / Nee, dat is niet waar) op een natuurlijke en samenhangende manier met de betekenis.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (Hai ragione) Il progetto è in ritardo. Hai ragione.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hai ragione, il progetto è in ritardo.
    (Je hebt gelijk, het project heeft vertraging.)
  2. Hint Hint (Sì, va bene) Possiamo spostare la riunione alle 17.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Sì, va bene, spostiamo la riunione alle 17.
    (Ja, prima, verplaatsen we de vergadering naar 17:00?)
  3. Hint Hint (Sì, è vero) Il cliente non ha ricevuto la mail, è vero.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Sì, è vero, il cliente non ha ricevuto la mail.
    (Ja, dat klopt, de klant heeft de e-mail niet ontvangen.)
  4. Hint Hint (No, non è vero) Secondo me non serve un altro report, non è vero.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    No, non è vero: serve un altro report.
    (Nee, dat klopt niet: we hebben wél een extra rapport nodig.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Werk per tweetal: beslis wie welke taak op zich neemt en leg de redenen uit.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Durante una breve riunione, il team organizza un progetto urgente da completare.
(Tijdens een korte vergadering organiseert het team een dringend project dat afgerond moet worden.)

Bespreek
  • Chi è responsabile per ogni incarico? Sei d’accordo con la scelta? (Wie is verantwoordelijk voor elke taak? Ben je het eens met die keuze?)
  • Quali sono le priorità oggi e perché sono importanti? Hai ragione? (Wat zijn de prioriteiten voor vandaag en waarom zijn ze belangrijk? Klopt dat volgens jou?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • delegare un incarico (een taak delegeren)
  • essere responsabile per la gestione del tempo (verantwoordelijk zijn voor tijdsbeheer)
  • la priorità nel progetto (prioriteit binnen het project)

Gebruik in gesprek
  • Sì, è vero / No, non è vero (Ja, dat klopt / Nee, dat klopt niet)
  • Sono d’accordo / Non sono d’accordo (Ik ben het ermee eens / Ik ben het er niet mee eens)
  • Hai ragione (Je hebt gelijk)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 05/03/2026 09:12