Impara ad usare le principali espressioni di accordo e disaccordo.
(Leer de belangrijkste uitdrukkingen om akkoord en niet-akkoord uit te drukken.)
- Uitdrukkingen met "sì", "hai ragione", "sono d'accordo" worden gebruikt om akkoord uit te drukken.
- Uitdrukkingen met "no", "non" worden gebruikt om niet-akkoord uit te drukken.
| Espressione (Uitdrukking) | Uso (Gebruik) | Esempio (Voorbeeld) |
|---|---|---|
| Sì, è vero | Accordo con un fatto (Akkoord met een feit) | Sì, è vero, il progetto è finito. |
| Sì, va bene | Accordo con una proposta (Akkoord met een voorstel) | Sì, va bene, iniziamo ora. |
| Hai ragione | Accordo su un punto di vista (Akkoord met een standpunt) | Hai ragione, serve autonomia. |
| Sono d’accordo | Adesione a un'opinione (Instemming met een mening) | Sono d’accordo con la valutazione. |
| Non sono d’accordo | Disaccordo educato (Beleefd niet-akkoord) | Non sono d’accordo, serve più tempo. |
| No, non è vero | Negazione di un fatto (Ontkenning van een feit) | No, non è vero, era una responsabilità tua. |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. «Secondo me Marco non gestisce bene le priorità.» – «___, spesso il progetto resta in attesa troppo tempo.»
«Volgens mij stelt Marco de prioriteiten niet goed vast.» – «___, het project blijft vaak te lang liggen.»)2. «Possiamo spostare la riunione di valutazione a domani?» – «___, aggiorno subito l’agenda.»
«Kunnen we de beoordelingsvergadering naar morgen verplaatsen?» – «___, ik werk de agenda meteen bij.»)3. «Tu sei responsabile per il ritardo del progetto.» – «___, ho delegato il compito ieri.»
«Jij bent verantwoordelijk voor de vertraging van het project.» – «___, ik heb de taak gisteren gedelegeerd.»)4. «Per questo incarico servono più persone autonome.» – «___, il nostro sistema ora è troppo lento.»
«Voor deze opdracht zijn meer zelfstandige mensen nodig.» – «___, ons systeem is nu te traag.»)Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de zin met de juiste uitdrukking van instemming of afkeuring.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen met een uitdrukking van instemming of verzet (Ja, dat klopt / Ja, prima / Je hebt gelijk / Ik ben het ermee eens / Ik ben het er niet mee eens / Nee, dat is niet waar) op een natuurlijke en samenhangende manier met de betekenis.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleHai ragione, il progetto è in ritardo.(Je hebt gelijk, het project heeft vertraging.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleSì, va bene, spostiamo la riunione alle 17.(Ja, prima, verplaatsen we de vergadering naar 17:00?)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleSì, è vero, il cliente non ha ricevuto la mail.(Ja, dat klopt, de klant heeft de e-mail niet ontvangen.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleNo, non è vero: serve un altro report.(Nee, dat klopt niet: we hebben wél een extra rapport nodig.)
Oefening 4: Grammatica in actie
Instructie: Werk per tweetal: beslis wie welke taak op zich neemt en leg de redenen uit.
- Chi è responsabile per ogni incarico? Sei d’accordo con la scelta? (Wie is verantwoordelijk voor elke taak? Ben je het eens met die keuze?)
- Quali sono le priorità oggi e perché sono importanti? Hai ragione? (Wat zijn de prioriteiten voor vandaag en waarom zijn ze belangrijk? Klopt dat volgens jou?)
- delegare un incarico (een taak delegeren)
- essere responsabile per la gestione del tempo (verantwoordelijk zijn voor tijdsbeheer)
- la priorità nel progetto (prioriteit binnen het project)
- Sì, è vero / No, non è vero (Ja, dat klopt / Nee, dat klopt niet)
- Sono d’accordo / Non sono d’accordo (Ik ben het ermee eens / Ik ben het er niet mee eens)
- Hai ragione (Je hebt gelijk)