Uitdrukkingen van instemming en afkeuring: sono d'accordo, non sono d'accordo, ecc...

Espressioni di accordo e disaccordo: sono d'accordo, non sono d'accordo, ecc...


Impara ad usare le principali espressioni di accordo e disaccordo.

(Leer de belangrijkste uitdrukkingen om akkoord en onenigheid uit te drukken.)

Waarvoor gebruik je deze zinnen?

  • Akkoord: je bevestigt wat de ander zegt of je vindt het een goed plan.
  • Niet akkoord: je corrigeert, nuanceert of je wilt een andere keuze voorstellen.

Tip (professionele context): deze korte formules werken als “signaalwoorden” in overleg. Daarna volgt je reden of voorstel.

Kies de juiste uitdrukking: betekenis & nuance

Italiaans Wanneer gebruik je het? Typische vervolgzinnen
Sì, è vero Je bevestigt een feit of informatie. … il progetto è finito.
Sì, va bene Je accepteert een voorstel/afspraak. … iniziamo ora.
Hai ragione Je geeft toe dat de ander gelijk heeft (mening/argument). … serve autonomia.
Sono d’accordo (con…) Je zegt expliciet: ik ben het eens (met een idee of persoon). … con la valutazione / con te.
Non sono d’accordo (con…) Je zegt expliciet: ik ben het niet eens (en je licht toe). … serve più tempo.
No, non è vero Je ontkent: dat klopt niet (correctie van een feit). … era una responsabilità tua.

Bouwsteen (handig patroon voor vergaderingen)

  1. Signaal: akkoord / niet akkoord
  2. Inhoud: je reden, correctie of voorstel

Voorbeelden

  • Sì, è vero, la consegna è oggi alle 17:00.
  • Sì, va bene, spostiamo la call a domani.
  • Hai ragione, dobbiamo coinvolgere anche il team IT.
  • Non sono d’accordo, così rischiamo di perdere tempo.
  • No, non è vero, la decisione non è stata approvata ieri.

Let op: interpunctie en ritme

  • Zet na de uitdrukking meestal een komma (of dubbelpunt) en ga dan verder.
  • Dit maakt je zin direct duidelijker in gesprek en e-mail.
  • Sì, è vero la riunione inizia alle nove.
  • Sì, è vero, la riunione inizia alle nove.
  • Sì, è vero: la riunione inizia alle nove.

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze voorkomt)

  • Geen artikel bij “hai ragione”
    • Hai la ragioneHai ragione
  • Niet “ja” en “niet waar” combineren
    • Sì, non è vero → kies één: Sì, è vero of No, non è vero
  • “Sono d’accordo con …” heeft een aanvulling nodig
    • Sono d’accordo, iniziamo ora. (algemeen akkoord)
    • Sono d’accordo con te. (met een persoon)
    • Sono d’accordo con la proposta. (met een idee/plan)

Snelle zelfcheck (in 10 seconden)

  • Bevestig je een feit? → Sì, è vero / No, non è vero
  • Accepteer je een voorstel? → Sì, va bene
  • Vind je dat de ander gelijk heeft? → Hai ragione
  • Geef je jouw positie (eens/oneens) in een discussie? → (Non) sono d’accordo
  1. Espressioni con "sì", "hai ragione", "sono d'accordo" si usano per esprimere accordo.
  2. Espressioni con "no", "non" si usano per esprimere disaccordo.
Espressione (Uitdrukking)Esempio (Voorbeeld)
Sì, è vero (Ja, dat klopt)Sì, è vero, il progetto è finito. (Ja, dat klopt, het project is klaar.)
Sì, va bene (Ja, is goed)Sì, va bene, iniziamo ora. (Ja, is goed, we beginnen nu.)
Hai ragione (Je hebt gelijk)Hai ragione, serve autonomia. (Je hebt gelijk, er is autonomie nodig.)
Sono d’accordo (Ik ben het eens)Sono d’accordo con la valutazione. (Ik ben het eens met de beoordeling.)
Non sono d’accordo (Ik ben het niet eens)Non sono d’accordo, serve più tempo. (Ik ben het niet eens, er is meer tijd nodig.)
No, non è vero (Nee, dat klopt niet)No, non è vero, era una responsabilità tua. (Nee, dat klopt niet, het was jouw verantwoordelijkheid.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. _____, il progetto è finito e possiamo mandare la valutazione oggi.

_____, het project is afgerond en we kunnen vandaag de beoordeling versturen.

2. _____, delego a te la gestione dell'agenda questa settimana.

_____, ik draag je deze week het beheer van de agenda over.

3. _____, la priorità oggi è completare l'incarico prima della riunione.

_____, de prioriteit vandaag is om de opdracht vóór de vergadering af te ronden.

4. _____, serve più tempo per il sistema e per la gestione del tempo.

_____, we hebben meer tijd nodig voor het systeem en voor het tijdbeheer.

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin om instemming of onenigheid uit te drukken.

1.
Fout: hier worden twee tegengestelde uitdrukkingen gemengd ("ik ben het eens" en "nee").
Fout: "ik ben het niet eens met" vereist een aanvulling (bv. "met jou"), niet een dubbele punt gevolgd door een zin.
2.
Veelgemaakte fout: in het Italiaans zeg je "hai ragione" zonder het lidwoord "la".
Plaatsingsfout: "niet" kun je niet op deze manier na "je hebt gelijk" invoegen.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf elke zin door instemming of afwijzing uit te drukken met de uitdrukking tussen haakjes (voorbeeld: “È vero.” → “Sì, è vero.”).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (Sì, è vero) È vero: la riunione è alle 10.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Sì, è vero, la riunione è alle 10.
    (Ja, dat is waar, de vergadering is om 10 uur.)
  2. Hint Hint (Sì, va bene) Iniziamo adesso.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Sì, va bene, iniziamo adesso.
    (Ja, is goed, laten we nu beginnen.)
  3. Hint Hint (Non sono d'accordo) Serve più tempo per finire il report.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Non sono d'accordo, serve più tempo per finire il report.
    (Ik ben het er niet mee eens, we hebben meer tijd nodig om het rapport af te maken.)
  4. Hint Hint (No, non è vero) La presentazione è troppo lunga.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    No, non è vero, la presentazione è troppo lunga.
    (Nee, dat is niet waar, de presentatie is te lang.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Spreek om de beurt en spreek af wie welke verantwoordelijkheden, agenda en volmachten heeft.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
In riunione decidete chi prende l'incarico e le priorità del progetto.
(Tijdens de vergadering beslissen jullie wie de taak op zich neemt en wat de prioriteiten van het project zijn.)

Bespreek
  • Qual è la priorità principale oggi e cosa è ancora in attesa? (Wat is vandaag de belangrijkste prioriteit en wat staat er nog open?)
  • Chi è responsabile per ogni attività e perché lo è? Proponi una delega concreta. (Wie is verantwoordelijk voor elke activiteit en waarom? Stel een concrete taakverdeling voor.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • L'incarico - chi lo prende? (De taak – wie neemt die op zich?)
  • La priorità - completare il progetto (De prioriteit – het project afronden)
  • Delegare - assegnare una responsabilità (Delegeren – een verantwoordelijkheid toewijzen)

Gebruik in gesprek
  • Sono d'accordo (Ik ben het ermee eens)
  • Non sono d'accordo (Ik ben het er niet mee eens)
  • Hai ragione (Je hebt gelijk)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 15/04/2026 19:14