Leer hoe je het Imperfetto en Passato Prossimo correct gebruikt om verleden situaties en gebeurtenissen te beschrijven, met voorbeelden zoals 'insegnavo' (ik gaf les) en 'sono andato' (ik ben gegaan). Begrijp het verschil tussen gewoonten en specifieke acties in het verleden.
- De imperfetto wordt gebruikt om gewone handelingen of situaties uit het verleden te beschrijven.
- De passato prossimo wordt gebruikt om te spreken over voltooide handelingen, met een duidelijke plaatsbepaling in het verleden.
- De imperfetto spreekt over aan de gang zijnde handelingen, terwijl de passato prossimo bepaalde gebeurtenissen vertelt.
Tempo verbale (Tijdvorm) | Regola (Regel) | Esempio (Voorbeeld) |
---|---|---|
Imperfetto | Un'azione abituale del passato. (Een gebruikelijke handeling uit het verleden.) | Io insegnavo in aula ogni giorno. (Ik onderwees elke dag in de klas.) |
Imperfetto | Una situazione del passato. (Een situatie uit het verleden.) | Quando ero piccolo, sapevo poco. (Toen ik klein was, wist ik weinig.) |
Passato prossimo | Azione precisa e localizzata nel passato. (Precieze en gelokaliseerde handeling in het verleden.) | Ieri sono andato a scuola. (Gisteren ben ik naar school gegaan.) |
Imperfetto + Passato prossimo | L'imperfetto da il contesto, il passato prossimo dice cosa è successo. (De imperfetto geeft de context, de passato prossimo zegt wat er is gebeurd.) | Mentre studiavo, è arrivato Luca. (Terwijl ik studeerde, is Luca aangekomen.) |
Oefening 1: Imperfetto o passato prossimo?
Instructie: Vul het juiste woord in.
camminavo, ho saputo, conoscevo, insegnavo, ho incontrato, andavo, ho conosciuto, insegnava, ho fatto, arrivavo
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste zin voor elk voorbeeld, rekening houdend met het gebruik van de imperfectum en de voltooid tegenwoordige tijd in werkomgevingen, op school of in het dagelijks leven.