Leer de drie belangrijke verleden tijden in het Italiaans: imperfetto voor gewoonten en beschrijvingen, passato prossimo voor afgeronde gebeurtenissen, en trapassato prossimo voor acties die eerder gebeurden dan een andere in het verleden, met voorbeelden zoals votavo, ho votato en avevo votato.
Tempo (Tijd) | Uso (Gebruik) | Esempio (Voorbeeld) |
---|---|---|
Imperfetto | Abitudine o contesto passato (Gewoonte of verleden context) | Io votavo sempre lì (Ik stemde altijd daar) |
Descrizione o azione non conclusa (Beschrijving of niet-afgeronde handeling) | Il sindaco parlava spesso con noi (De burgemeester praatte vaak met ons) | |
Passato prossimo | Azione passata e conclusa (Verleden en afgeronde handeling) | Ieri io ho votato al seggio (Gisteren heb ik gestemd bij het stembureau) |
Evento specifico nel passato (Specifiek evenement in het verleden) | Lei ha parlato con il presidente (Zij heeft gesproken met de president) | |
Trapassato prossimo | Azione passata anteriore a un'altra (Verleden voltooid verleden tijd van een andere) | Io avevo votato prima del discorso (Ik had gestemd vóór de toespraak) |
Evento precedente a un altro passato (Gebeurtenis voorafgaand aan een andere gebeurtenis in het verleden) | Noi avevamo deciso prima delle elezioni (Wij hadden besloten voor de verkiezingen) |
Oefening 1: I tempi del passato (riassunto)
Instructie: Vul het juiste woord in.
parlava, avevo mangiato, avevo votato, avevamo deciso, andavo, è stato, ho visto
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste zin op basis van het juiste gebruik van de verleden tijden: imperfectum, voltooid tegenwoordige tijd of voltooid verleden tijd. Lees aandachtig en selecteer de juiste optie.