Ontdek het correcte gebruik van de Italiaanse uitdrukkingen 'ecco' en 'è' in dagelijkse situaties. Leer met voorbeelden zoals 'Ecco la tua borsa' en 'È Anna' hoe je iets laat zien of iemand identificeert.
- Ecco wordt alleen gebruikt met elementen die aanwezig of zichtbaar zijn.
- 'È' wordt gebruikt om een object of een persoon aan te duiden.
Struttura (Structuur) | Tipo (Type) | Esempio (Voorbeeld) |
---|---|---|
Ecco! | Mostrare qualcosa | Ecco! Lo sapevo. (Hier! Ik wist het.) |
Ecco + gruppo nominale | Indicare qualcosa/qualcuno (Iets/iemand aanwijzen) | Ecco la tua borsa. (Hier is je tas.) |
Ecco + pronome | Indicare la presenza di qualcuno/qualcosa (Iemand/iets aanwijzen) | Dov'è Luca? Eccolo! (Waar is Luca? Daar is hij!) |
È + nome | Identificare una persona (Een persoon identificeren) | Chi è lei? È Anna. (Wie is zij? Het is Anna.) |
È + pronome possessivo | Esprimere un possesso (Een bezit uitdrukken) | Di chi è questo libro? È il mio. (Van wie is dit boek? Het is van mij.) |
Oefening 1: Espressioni con 'ecco' ed 'è'
Instructie: Vul het juiste woord in.
Eccolo, Ecco, È la mia, ecco, è lui, Eccola
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste zin op basis van het gebruik van 'hier is' en 'is'.