A2.42: Organisatie en delegatie

Organizzazione e delega

Deze les leert je hoe je in het Italiaans taken in een kantooromgeving organiseert en delegeert met belangrijke uitdrukkingen van akkoord (d'accordo) en onenigheid (disaccordo). Leer kernwoorden als delegare (delegeren), completare (voltooien) en responsabilità (verantwoordelijkheid) in praktische dialogen.

Woordenschat (14)

 L'incarico: De opdracht (Italian)

L'incarico

Show

De opdracht Show

 Il progetto: Het project (Italian)

Il progetto

Show

Het project Show

 La responsabilità: De verantwoordelijkheid (Italian)

La responsabilità

Show

De verantwoordelijkheid Show

 La valutazione: De beoordeling (Italian)

La valutazione

Show

De beoordeling Show

 In attesa: In afwachting (Italian)

In attesa

Show

In afwachting Show

 L'autonomia: De autonomie (Italian)

L'autonomia

Show

De autonomie Show

 Raggiunto: bereikt (Italian)

Raggiunto

Show

Bereikt Show

 L'agenda: de agenda (Italian)

L'agenda

Show

De agenda Show

 La priorità: De prioriteit (Italian)

La priorità

Show

De prioriteit Show

 La gestione del tempo: Tijdmanagement (Italian)

La gestione del tempo

Show

Tijdmanagement Show

 Essere responsabile per: Verantwoordelijk zijn voor (Italian)

Essere responsabile per

Show

Verantwoordelijk zijn voor Show

 Completare (voltooien) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Completare

Show

Voltooien Show

 Delegare (delegeren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Delegare

Show

Delegeren Show

 Il sistema: Het systeem (Italian)

Il sistema

Show

Het systeem Show

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

Completare


Voltooien

2

Essere responsabile per


Verantwoordelijk zijn voor

3

Raggiunto


Bereikt

4

Il progetto


Het project

5

In attesa


In afwachting

Oefening 2: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Devo ___ il progetto entro domani.

(Ik moet het project ___ voor morgen.)

2. Hai ragione, dobbiamo ___ chiaramente le responsabilità.

(Je hebt gelijk, we moeten de verantwoordelijkheden duidelijk ___.)

3. Secondo me, non abbiamo ancora ___ il lavoro assegnato.

(Naar mijn mening hebben we het toegewezen werk nog niet ___.)

4. Per favore, non ___ quel documento adesso.

(Alsjeblieft, niet ___ dat document nu.)

Oefening 4: Het project op kantoor organiseren

Instructie:

Ieri il capo (Delegare - Trapassato prossimo) (Delegare - Trapassato prossimo) a me la responsabilità di completare il progetto. Io (Essere - Presente) stato responsabile per l'agenda e la gestione del tempo, ma non tutto (Essere - Imperfetto) stato (Completare - Trapassato prossimo) quando il team è arrivato. Tu (Delegare - Presente) (Delegare - Presente) alcune attività ai colleghi, ma secondo me serve più autonomia. Io non (Essere d'accordo - Presente) con questa valutazione, perché noi (Completare - Trapassato prossimo) (Completare - Trapassato prossimo) tutto il lavoro importante. Adesso il progetto è in attesa di approvazione. Sei d'accordo?


Gisteren heeft de baas gedelegeerd (Delegeren - Voltooid verleden tijd) aan mij de verantwoordelijkheid gegeven om het project te voltooien. Ik was verantwoordelijk voor de agenda en tijdbeheer, maar niet alles was voltooid (Voltooien - Voltooid verleden tijd) toen het team arriveerde. Jij hebt gedelegeerd (Delegeren - Tegenwoordige tijd) sommige taken aan collega’s, maar volgens mij is meer autonomie nodig. Ik ben het niet eens met deze beoordeling, omdat wij al het belangrijke werk hebben voltooid (Voltooien - Voltooid verleden tijd). Het project wacht nu op goedkeuring. Ben je het eens?

Werkwoordschema's

Delegare - Delegeren

Trapassato prossimo

  • io ho delegato
  • tu hai delegato
  • lui/lei ha delegato
  • noi abbiamo delegato
  • voi avete delegato
  • loro hanno delegato

Delegare - Delegeren

Presente

  • io delego
  • tu delega
  • lui/lei delega
  • noi deleghiamo
  • voi delegate
  • loro delegano

Completare - Voltooien

Trapassato prossimo

  • io ho completato
  • tu hai completato
  • lui/lei ha completato
  • noi abbiamo completato
  • voi avete completato
  • loro hanno completato

Essere - Zijn

Presente

  • io sono
  • tu sei
  • lui/lei è
  • noi siamo
  • voi siete
  • loro sono

Oefening 5: Espressioni di accordo e disaccordo

Instructie: Vul het juiste woord in.

Grammatica: Uitdrukkingen van instemming en oneens zijn

Toon vertaling Toon antwoorden

Sì, è vero, Secondo me, Non sono d’accordo, No, grazie, No, non è vero, Sono d’accordo, Secondo te, Hai ragione

1. Accordo su un punto di vista:
..., questa cosa ha la priorità su tutto.
(Je hebt gelijk, dit gaat boven alles.)
2. Negazione di un fatto:
..., il progetto non è stato completato.
(Nee, het is niet waar, het project is niet voltooid.)
3. Adesione a un'opinione:
..., è fondamentale gestire bene il tempo.
(Ik ben het ermee eens, het is essentieel om de tijd goed te beheren.)
4. Disaccordo educato:
..., serve più tempo per finire questo progetto.
(Ik ben het er niet mee eens, er is meer tijd nodig om dit project af te maken.)
5. Espressione di opinione:
... il sistema funziona molto bene.
(Volgens mij werkt het systeem heel goed.)
6. Chiedere un'opinione:
..., il sistema è stato aggiornato correttamente?
(Denk je dat het systeem correct is bijgewerkt?)
7. Accordo con un fatto:
..., la valutazione è stata giusta.
(Ja, het is waar, de beoordeling was juist.)
8. Rifiuto gentile:
Ti serve una mano con questo progetto? ..., riesco a finirlo da solo.
(Heb je hulp nodig met dit project? Nee, dank je, ik kan het alleen afmaken.)

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

A2.42.1 Grammatica

Espressioni di accordo e disaccordo

Uitdrukkingen van instemming en oneens zijn


Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Delegare delegeren

Presente

Italiaans Nederlands
(io) delego ik delegeren
(tu) delegi jij delegeert
(lui/lei) delega hij/zij delegeert
(noi) delegiamo wij delegeren
(voi) delegate jullie delegeren
(loro) delegano zij delegeren

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Completare voltooien

Trapassato prossimo

Italiaans Nederlands
(io) avevo completato ik had voltooid
(tu) avevi completato jij had voltooid
(lui/lei) aveva completato hij/zij had voltooid
(noi) avevamo completato wij hadden voltooid
(voi) avevate completato jullie hadden voltooid
(loro) avevano completato zij hadden voltooien

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Italiaans oefenen? Dat is mogelijk! Neem gewoon vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Lesoverzicht: Organisatie en delegeren in het Italiaans

In deze les leer je hoe je in het Italiaans taken en verantwoordelijkheden kunt toewijzen binnen een werkomgeving. De focus ligt op het uitdrukken van instemming (accordo) en onenigheid (disaccordo), wat essentieel is voor effectieve communicatie in werksituaties zoals het kantoor of projectmanagement.

Belangrijke thema's in deze les

  • Het geven van opdrachten en taken aan collega's en teamleden.
  • Uitwisselingen over taakverdeling tijdens vergaderingen.
  • Hoe je instemming en onenigheid beleefd uitdrukt in het Italiaans.
  • Spraakgebruik bij het delegeren van projectverantwoordelijkheden.

Voorbeelden van nuttige uitdrukkingen

  • Sì, va bene – "Ja, prima" (toestemming of instemming).
  • Non sono d'accordo – "Ik ben het er niet mee eens" (uitdrukking van onenigheid).
  • Hai ragione – "Je hebt gelijk" (erkennen van de mening van de ander).
  • Devo completare – "Ik moet voltooien" (gebruik van werkwoorden in context van taken afronden).

Woordenschat en uitdrukkingen voor taakbeheer

De volgende woorden komen veelvuldig voor in de dialogen en oefeningen:

  • Delegare – delegeren; completare – voltooien
  • compito – taak; responsabilità – verantwoordelijkheid
  • scadenza – deadline; coordinare – coördineren
  • aggiornare – bijwerken / op de hoogte brengen

Handige opmerkingen over Nederlands en Italiaans

In het Italiaans zijn uitdrukkingen van instemming en onenigheid vaak uitgebreider en formeler dan in het Nederlands. Bijvoorbeeld, waar we in het Nederlands eenvoudig "ik ben het niet eens" zeggen, gebruikt men in het Italiaans vaak "Non sono d'accordo" wat letterlijk betekent "Ik ben het niet eens" maar dan met zoveel woorden. Dit drukt een beleefde nuance uit, belangrijk in zakelijke contexten.

Daarnaast wordt het hulpwerkwoord bij werkwoordvervoegingen vaker en duidelijker aangegeven dan in het Nederlands. Bijvoorbeeld, in "ho delegato" (ik heb gedelegeerd) is de persoonsvorm expliciet met het hulpwerkwoord ho, waar het Nederlands het vaak eenvoudiger houdt zonder extra hulpwerkwoorden in de tegenwoordige tijd.

Voorbeelden van equivalente Nederlandse zinnen:

  • Devo completare il progetto. – Ik moet het project afronden.
  • Non sono d'accordo con questa idea. – Ik ben het niet eens met dit idee.
  • Hai ragione, abbiamo scadenze da rispettare. – Je hebt gelijk, we moeten deadlines respecteren.

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏